Per hoofdstuk
Ons engagement mag niet ophouden aan de grenzen van Europa. Wanneer we de vrijheid prediken en zoveel mogelijk mensen weerbaar willen maken, dan moet dat eerst en vooral gelden voor de meer dan één miljard mensen die anno 2006 moeten leven van minder dan één euro per dag. Of één miljard mensen die geen toegang hebben tot proper water waardoor ieder jaar bijna twee miljoen kinderen sterven. Alleen al in Afrika sterft één op de vijf kinderen aan ziektes die we gemakkelijk kunnen genezen, aan honger of slechte voeding. Eén op de vier zal nooit leren lezen en schrijven of zal kinderarbeid moeten verrichten. Dat is een schande voor de mensheid.
De uitdaging waarvoor we staan, kan nog het best worden geïllustreerd door een vergelijking te maken tussen Congo en België: de alfabetiseringsgraad in ons land is 100%, in Congo is dat 67%, waarmee dit land nog als één van de hoogste scoort van alle ontwikkelingslanden. De levensverwachting in België is 83 jaar, in Congo 43 jaar. Het BBP per inwoner van ons land is 31.096 dollar, in Congo bedraagt dat 705 dollar. Deze cijfers maken schrijnend duidelijk hoe lang en steil de weg wel is die een land als Congo nog te bewandelen heeft.
Sommigen beweren dat Afrika niets te winnen heeft aan de vrijheid, de democratie of de horizontale economie die hier worden gepredikt. Dat is onzin natuurlijk. Vanzelfsprekend moeten we onze ontwikkelingshulp stelselmatig verhogen en moet het rijke westen zo snel mogelijk 0,7% van zijn BBP daaraan besteden. Ontwikkelingshulp is cruciaal. Maar hulp bieden alleen, is niet genoeg. Ontwikkelingshulp maakt landen ook afhankelijk. We moeten vooral zoeken naar hefbomen die mensen en landen “empowerment” geven, met andere woorden zelfstandig en vrij maken, hefbomen die hen in staat stellen om zelf het heft en de eigen toekomst in handen te nemen.
Eén van die hefbomen is dat van de microkredieten van Mohammed Yunus, dit jaar winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede. Miljarden mensen worden door hun banken als niet kredietwaardig beschouwd. Gezien die mensen geen enkele kans maken op het afsluiten van een lening, is het voor hen onmogelijk om vooruit te geraken in het leven. In India en in Brazilië wordt daarom de idee gepromoot van de microkredieten. Dit zijn kleine leningen waarmee voornamelijk vrouwen - omdat die zorgzamer blijken om te springen met geld - aan de slag kunnen, kleine investeringen kunnen doen of hun kinderen naar school kunnen sturen. Deze vrouwen organiseren zich in hulpgroepen waarin ze elkaar raad geven over het beheren van hun krediet. Vandaag bestaan er reeds 1,4 miljoen van die groepen, zijnde twintig miljoen vrouwen die lenen om een toekomst uit te bouwen voor zichzelf en hun gezin.
Een tweede hefboom werd ontwikkeld door Hernando de Soto. Hij stelde vast dat, bijvoorbeeld in Haïti, het totale bezit van de armen honderd vijftig maal meer waard is dan alle buitenlandse investeringen die er de voorbije twee eeuwen plaatsgrepen. Het probleem evenwel is dat die “rijkdom” illegaal is. Die illegaliteit is niet het resultaat van criminaliteit, maar van een groot juridisch vacuüm. Zo is in het Peruaanse Lima zeven jaar nodig om legaal een huis op overheidsgrond te bouwen. De armste Peruvianen doen het dus maar illegaal, want men kan van hen toch moeilijk verwachten dat zij zeven jaar wachten op allerlei vergunningen alvorens een dak boven hun hoofd en dat van hun gezin te plaatsen? Of neem nu de “slums” in Mumbai, India. Het spreekt voor zich dat de 6,5 miljoen mensen die in van golfplaten, palmtakken en dekens gefabriceerde krotten wonen, daarvoor geen officiële papieren aanvragen. Alleen de toestemming van de lokale maffia is daartoe noodzakelijk. Vandaar het geniale idee van de Soto om die mensen voor hun schamele bezittingen eigendomspapieren af te leveren. Zo legaliseer je niet alleen een realiteit, je geeft die mensen ook een hefboom om hogerop te geraken. Als men bijvoorbeeld op de grond van een sloppenwijk een hotel wil bouwen, dan wordt die wijk vandaag gewoon ontruimd. Als de bewoners eigendomspapieren bezitten, zal het hotel hun krot eerst moeten aankopen en betalen. Voor de bouwer van het hotel maakt dit misschien weinig verschil uit. Maar voor de eigenaars is wat ze krijgen een geschenk uit de hemel, het begin van een bescheiden kapitaal om aan een eigen bestaan te timmeren. De Soto berekende dat het totaal van de eigendommen van armen ongeveer 9.300 miljard dollar zou bedragen! Dat is zesenveertig keer alle leningen die de Wereldbank en het IMF ooit aan ontwikkelingslanden gaven. Dat bezit van armen legaliseren zou een enorme hefboom betekenen. Bovendien is het een kwestie van elementaire rechtvaardigheid.
Naast het stimuleren en ondersteunen van initiatieven zoals dat van de microkredieten of het verschaffen aan de armen van eigendomscertificaten, moeten we vooral in eigen boezem durven kijken. Als we de welvaart willen globaliseren, moeten we de arme landen ook toelaten tot de weldaden van de globalisering. Meestal is het zo dat landen die zich inschrijven in de vrije wereldhandel welvaart creëren waarvan de ganse bevolking profiteert. Sinds China en India hun markten openstelden, is hun middenklasse verdubbeld en is de alfabetisering en de levensverwachting er spectaculair gestegen. Voor tal van Afrikaanse landen klopt dit plaatje echter niet. Wie de zaken nauwkeurig analyseert, komt al snel tot de vaststelling dat de schuld hiervoor niet bij die landen ligt en nog minder bij de vrije markt, maar juist het gevolg is van een tekort aan vrijhandel, te wijten aan onze westerse manier van handelen. Van het bijna één miljard mensen dat wereldwijd honger lijdt, zijn er niet minder dan 600 miljoen boeren en boerinnen. Een belangrijke oorzaak hiervoor zijn de verticale barrières die Europa en de VS optrekken: de landbouw(export)subsidies en de -importtarieven. Terwijl honderden miljoenen mensen in de derde wereld moeten rondkomen met één euro per dag, subsidiëren wij een Europese koe aan twee euro per dag. Het zijn die subsidies die maken dat de westerse producten op de lokale landbouwmarkten in de ontwikkelingslanden onder de kostprijs worden verkocht, aan dumpingprijzen waarmee een Afrikaanse boer niet kan concurreren. Bovendien beschermt de VS haar eigen markt door hoge importtarieven, waardoor de Afrikaanse boer evenmin zijn producten kwijt raakt. Een dubbele oneerlijke concurrentie dus waarmee we de derde wereld in de houdgreep van de armoede vastzetten. Vandaar dat landbouwsubsidies en dan vooral exportsubsidies moeten worden afgeschaft, terwijl de Verenigde Staten, zoals Europa al eerder deed, hun politiek van importtarieven moeten herbekijken. Betekent dit het einde van de landbouw in het westen? Geenszins. Maar waar vandaag de meeste steun naar de grootschalige agro-industrie gaat, zullen we ons in de toekomst moeten concentreren op de inkomensondersteuning van de familiale landbouw.
Hoe dan ook, de wereldeconomie is geen kwestie van winnaars en verliezers, een soort van “win-lose”- game. Wanneer dat vandaag wél zo lijkt, dan is dit te wijten aan een gebrek aan vrije markt en een teveel aan protectionisme. Hoe meer mensen we laten deelnemen aan de wereldeconomie, hoe meer welvaart er komt voor iedereen. Is onze eigen één gemaakte Europese markt daarvan niet het mooiste voorbeeld? Iedere armere regio die toetrad, denken we aan landen als Ierland en Spanje, is sindsdien uitgegroeid tot een economisch succesverhaal. En wat in Europa gebeurde, kan ook op wereldschaal.
Microkredieten, eigendomsbewijzen voor armen, het openen van onze landbouwmarkten, een correct en eerlijk bestuur. Dat alles vergt tijd. En Afrika heeft geen tijd. Voor Afrika is onmiddellijke actie nodig. Zestig miljard euro. Daarmee kunnen alle basisproblemen op het Afrikaanse continent worden aangepakt. Aan iedere Afrikaan kunnen proper water, sanitair, basisgezondheidszorgen en onderwijs worden gegarandeerd. En dat in een zeer korte tijdspanne. Het uitroeien van malaria alleen al zou voor Afrika een bijkomende economische groei betekenen van één procent van het bruto binnenlands product. Het oplossen van al die problemen zou zelfs een stijging van de groei van minstens twee procent van het bruto binnenlands product met zich meebrengen. Daardoor zouden de mensen in de derde wereld binnen de eeuw zevenhonderd maal welvarender zijn dan nu. Zestig miljard euro, dat is een peulschil voor het rijke Westen.
Waar wachten we eigenlijk op?











