De uitdaging van de vergrijzing

In België is vandaag de levensverwachting van een pasgeboren baby 83 jaar. We kunnen ons daar alleen maar over verheugen. Want het is een teken dat het hier goed is om te leven. Toch benaderen we het fenomeen van de vergrijzing als een zorg, meer nog, als een ernstig probleem zonder te beseffen dat het om een verrijking gaat, met andere woorden een teken van rijkdom en welvaart. Meer nog, de manier hoe we in het westen met ouderen omgaan, is ronduit schandalig. Terwijl ze in andere culturen met eerbied worden bejegend en worden geprezen om hun wijsheid, maken wij nauwelijks nog gebruik van hun kennis of van hun levenservaring. Integendeel. We verbieden hen zelfs nog economisch actief of productief te zijn. Een job vinden als men de vijftig is gepasseerd, is wegens te duur een heksentoer aan het worden. En bijverdienen als gepensioneerde is, behalve als het om een aalmoes gaat, zelfs helemaal verboden.

In een niet zo verre toekomst hebben we nood aan een heel andere, veel positievere benadering van de vergrijzing. Want, door de hogere levensverwachting verandert de demografische samenstelling van onze bevolking dramatisch. In 2015 zal één op de vijf Belgen ouder zijn dan 65 jaar. In 2050 zal dat één op de drie zijn. Deze ontwikkeling zal onze samenleving langzaam, maar daarom niet minder ingrijpend veranderen. Meer mensen zullen langer leven en derhalve meer tijd hebben. Dat kan voor een exponentiële toename zorgen van allerlei activiteiten op zoveel boeiende terreinen als toerisme, horeca, ontspanning, cultuur en verenigingsleven. Daarnaast verschaft de vergrijzing ook de kans het familieleven ten goede te wijzigen. In plaats van zich overbodig te voelen zullen grootouders meer nog dan vandaag hun druk in de weer zijnde kinderen en kleinkinderen te hulp kunnen snellen of de kinderen van hun kinderen en kleinkinderen kunnen opvangen. Omgekeerd zullen de oudste leden van de familie die zorgbehoevend zijn bij hun kinderen, die wellicht al met pensioen zijn, vlugger kunnen intrekken. Ook het vrijwilligerswerk krijgt nieuwe kansen. In 1992 waren ongeveer de helft van de vrijwilligers ouder dan veertig jaar. In 2002 was dat al meer dan drievierde. Ouderen zullen betaald werk vaker inruilen voor vrijwilligerswerk, wat hun aantal zonder twijfel nog verder zal doen stijgen. Kortom, de vergrijzing kan een aantal positieve ontwikkelingen in de samenleving op gang trekken. Ze kan maatschappelijk “verzilverd” worden in plaats van te leiden tot materiële en emotionele eenzaamheid.

Om die omslag te maken zijn wel een aantal radicale ingrepen noodzakelijk. Vooreerst inzake de opvang van onze bejaarden. Die doet me vandaag nog te veel denken aan ziekenhuizen en een enkele keer bijna aan een gevangenis. Er is meer kleinschaligheid en verscheidenheid noodzakelijk, waarbij de geur van ontsmettingsmiddelen en de witte jassen worden gebannen. En ook de opvang binnen de eigen familiekring moet sterker worden aangemoedigd. Tegelijkertijd mag de rijkdom van de vergrijzing evenwel niet verworden tot een nieuwe vorm van armoede wegens de ontoereikendheid of onbetaalbaarheid van de pensioenen. We moeten vermijden dat “op pensioen gaan” het opgeven van een levensstijl of een stuk vrijheid zou betekenen. En dat gevaar is zeer reëel als we zouden aarzelen ons pensioenstelsel te hervormen. De feiten spreken voor zich. In de tijd van onze ouders werden mensen gemiddeld 73 jaar en werkten ze tot hun 65ste. Vandaag is de levensverwachting 83 jaar en werkt men gemiddeld tot zijn 57ste. Vroeger genoot men dus acht jaar van het pensioen, terwijl dat vandaag meer dan twintig jaar is. Tegelijkertijd studeren meer jongeren ook een stuk langer. De samenloop van beide tendensen zorgt ervoor dat de solidariteit steeds zwaarder op de schouders van de werkenden komt te liggen. In ons repartitiestelsel worden de pensioenen van de oudere generatie immers betaald door de volgende, de jongere generatie. Op zichzelf is dat een mooi beginsel. Ware het niet dat het stelsel werd opgezet in een tijd toen de verhouding tussen werkenden en gepensioneerden nog helemaal anders lag. Toen in 1953 het repartitiestelsel werd ingevoerd, was de pensioenleeftijd 65 terwijl de gemiddelde levensverwachting 62 was. Nu de levensverwachting 83 is, zijn er tien werkenden voor vijf gepensioneerden. In 2020 zullen er slechts tien werkenden voor meer dan zes gepensioneerden zijn.

Daarom is het nodig dat iedereen meer werkt. We moeten mensen wel de keuze laten hoe en wanneer ze dat willen doen. Vandaar het voorstel van de individuele loopbaanrekening waarbij een totaal aantal uren moet worden gewerkt om op een volledig pensioen recht te hebben. Zo kunnen mensen hun loopbaan zelf indelen en dus kiezen om even wat minder of juist wat meer te werken. Oudere werknemers zouden het bijvoorbeeld kalmer aan kunnen doen om toch nog een tijdje door te gaan maar dan bijvoorbeeld in een formule van deeltijdse arbeid. Op die manier zou de overgang van werk naar pensioen minder bruusk verlopen. Ouders zouden ook kunnen beslissen om een periode deeltijds thuis te blijven voor de opvoeding van hun kinderen. Zo’n “opvoedingsuren” zouden voor een deel als werk op de loopbaanrekening kunnen worden ingebracht. Naast meer kinderopvang zou dat de wens naar meer kinderen voor veel gezinnen opnieuw haalbaar maken en het aantal geboorten, kinderen en jongeren opnieuw doen stijgen. Samen met een verstandig migratiebeleid zou dat de beste aanpak zijn om een brede basis aan jobs en banen te creëren. Hetgeen essentieel is om de financiering van de pensioenen veilig te stellen en de betaalbaarheid te verzekeren van de snel stijgende kosten inzake gezondheidszorgen die aan de vergrijzing verbonden zijn.

Maar naast langer werken, zijn er ook ingrepen nodig in het pensioenstelsel zelf. Waarom de mensen niet meer aanmoedigen om zelf een appeltje voor de dorst opzij te zetten? Pensioensparen en kapitaalpensioenfondsen moeten massaal worden gepromoot. Waarom blijven we ook zo terughoudend ten aanzien van gepensioneerden die iets willen bijverdienen? Met de loopbaanrekening zullen oudere werknemers zelf al grotendeels kunnen beslissen wanneer ze de arbeidsmarkt verlaten. Het zullen niet het aantal jaren of de leeftijd, maar het pakket gewerkte uren zijn dat bepalend wordt. Maar ook daarna is er geen enkele reden om mensen met pensioen het werken te verbieden. Zeker wanneer er een pak niet ingevulde vacatures zijn. Velen onder hen hebben ervaring en energie in overvloed en willen zich op de arbeidsmarkt nog bewijzen of jongeren kennis en ervaring bijbrengen. Bijverdienen en langer werken moeten juist worden toegejuicht, want het bevestigt ouderen in hun eigenwaarde en ondersteunt tegelijk de betaalbaarheid van alle pensioenen. Het is bovendien een fabeltje te geloven dat meer tewerkstelling door oudere werknemers ten koste zou gaan van het aantal jobs en arbeidsplaatsen voor jongeren. De ervaring in de Scandinavische landen bewijst precies het tegendeel. Hoe meer ouderen er nog werken, hoe meer werk er beschikbaar is voor iedereen.

Normaal lettertype Groter lettertype Extra groot lettertype
burgermanifest.be
openvld-lila.be
OpenTube.be
Rapport Van Mechelen
Word Lid
Liberale lijn in Regeerakkoord
Bezoek de Brainlane website