Het slopen van de obstakels

De ontwikkeling van de vlakke, horizontale economie wordt in vele gevallen afgeremd door tal van overblijfselen van de oude orde. Verticale barrières die ervoor zorgen dat we blijven steken in het mulle zand, terwijl andere landen reeds uitvaren naar het water van de open zee. Hoewel deze barrières onder druk van de tijd wel vanzelf zullen verdwijnen, mogen we geen tijd laten verloren gaan. Wie immers die obstakels niet tijdig sloopt of vervangt door andere, modernere, meer aangepaste instrumenten, zal onvermijdelijk een niet meer in te halen achterstand oplopen. En zover mogen we het niet laten komen.

Het leren omgaan met risico’s

De eerste barrière die moet worden gesloopt in de horizontale economie, is een barrière in onze geest, een mentale barrière met andere woorden: het kost wat kost vermijden van enig risico. Van bij de geboorte tot op het sterfbed zorgt onze sociale zekerheid ervoor dat bijna iedere tegenslag wordt opgevangen. En dat is goed zo. Toch mag dat niet verlammend werken. De Scandinavische landen bewijzen dat zorgen voor zekerheid en opvang bij tegenslag, niet hoeft leiden tot het schuwen van risico. Omgaan met risico’s is essentieel om uit te blinken in de horizontale economie. Die horizontale economie draait op creatieve, zelfredzame, leergierige, ondernemende mensen. Niet enkel creëren zij welvaart door het nemen van initiatief en het oprichten van bedrijven, maar zij zorgen er ook voor dat de economie in haar geheel weerbaar en competitief blijft. Afgelopen jaren werden tal van maatregelen genomen om de drempel voor het oprichten van bedrijven te verlagen. Zowel vreemd als risicokapitaal werd gemakkelijker toegankelijker gemaakt, de tijd nodig om een nieuwe onderneming op te starten werd herleid tot drie dagen, de vestigingswetten werden versoepeld en het sociaal stelsel van zelfstandigen werd sterk verbeterd en uitgebreid. Toch blijft er in ons land een gebrek aan ondernemingszin. Het blijkt vooral een mentale kwestie te zijn, een weerstand die ingebakken zit in onze opvoeding, maar ook in ons onderwijs. Eenmaal de kleuterklas voorbij, moet de creativiteit de duimen leggen voor pure kennisoverdracht, voor discipline, voor regeltjes, vastgelegd in allerlei leerplannen. Dat er nochtans nood is aan een onderwijs dat eerder de vrijheid, de creativiteit en het ondernemen als uitgangspunten neemt, blijkt uit het groeiende succes van de Freinetscholen. Vandaar de noodzaak om naast het inbouwen van creatieve sessies ook van het ondernemerschap en het leren omgaan met risico’s een doelstelling te maken in de leerplannen. Meer nog, creativiteit en ondernemerschap zouden in feite in het hoofd moeten zitten van iedereen met een opvoedende functie en dan denk ik aan ouders, opvoeders en gans het onderwijzend personeel.

Het invoeren van de loopbaanrekening

Het tweede obstakel dat we moeten slopen, is dat van de veel te rigide organisatie van de arbeidstijd. Officieel werken we vandaag tot we vijfenzestig zijn. En dat achtendertig uren, iedere week, gedurende normaal vijfenveertig jaar. In totaal ongeveer vijfenzeventigduizend arbeidsuren. In de praktijk bestaan er tal van uitzonderingsregimes waarbij men vaak meerdere jaren vroeger met pensioen gaat en waaraan stilaan paal en perk wordt gesteld. Tegelijkertijd verlangen we naar een soepel arbeidsritme, waarbij we de kans krijgen de loopbaan te onderbreken in geval van bijvoorbeeld bijscholing, het opvangen van de kinderen of het verzorgen van een ziek familielid. Anderzijds weten we maar al te goed dat de tijd die we nu werken niet zal volstaan om de kosten van de vergrijzing op te vangen en dat langer werken onvermijdelijk zal zijn. Het is niet voor niets dat in de meeste van de ons omringende landen de pensioenleeftijd tot zevenenzestig jaar wordt opgetrokken of er minstens plannen in die richting bestaan. Om het ene met het andere te verzoenen, is er slechts één goede oplossing, namelijk de arbeidstijd bevrijden en overschakelen naar de individuele loopbaanrekening, waarbij wordt afgestapt van de collectieve uurregelingen die geen enkele rekening houden met de persoonlijke vraag naar flexibiliteit. Op zo’n loopbaanrekening zou een pakket uren verzameld moeten worden om recht te hebben op een volledig pensioen. Dat pakket zou alvast een paar duizend uur hoger uitvallen dan het totaal vandaag. Wie beslist om een bepaalde tijd niet te gaan werken, kan dat, maar zal een andere periode van zijn leven wat harder moeten werken of zo hij verkiest wat langer bij het einde van de carrière bijvoorbeeld tot aan zijn zevenenzestig of misschien wel later. De loopbaanrekening zal ook toelaten dat levenslang leren meer wordt dan een slogan en dat de barrière die vandaag bestaat tussen school en werk, definitief wordt opengebroken. In de horizontale economie is het immers onontbeerlijk dat werknemers zich voortdurend vormen en omscholen onder meer om de steeds evoluerende informatietechnologieën onder de knie te krijgen. De loopbaanrekening laat tenslotte ook toe een actiever beleid te gaan voeren inzake het tanend geboortecijfer. Hoewel het vanzelfsprekend een individuele keuze blijft, moeten gezinnen met meerdere kinderen meer worden gehonoreerd. Ook daar biedt de loopbaanrekening een uitweg. Want naast andere instrumenten zoals kinderbijslagen laat dit nieuwe systeem toe het opvoeden van kinderen geheel of gedeeltelijk als werkende uren mee in rekening te brengen. Net als het werk dat thans door de huismoeders of huisvaders wordt verricht en dat vandaag nauwelijks wordt beloond.

Het neerhalen van de barrières tussen bedrijven

Maar er zijn andere barrières die dringend moeten worden weggewerkt. Een werknemer in België blijft, na zijn Griekse en Italiaanse collega, het langst in dienst bij dezelfde werkgever. En dat is gemiddeld bijna twaalf jaar. Op het eerste zicht lijkt dat heel positief, maar dat is het niet helemaal. Het toont aan dat er in ons land een zeer lage mobiliteit is tussen jobs. Opvallend is dat we overal in Europa zien dat een lage mobiliteit leidt tot een lage tewerkstelling. Omgekeerd toont de toestand in de Scandinavische landen, het Verenigd Koninkrijk en Ierland aan dat hoe hoger de mobiliteit is, hoe hoger de werkgelegenheid. Dit fenomeen valt eenvoudig te verklaren. Door de lagere ontslagkosten en de minder zware procedures durven werkgevers vlotter aanwerven, terwijl werknemers gemakkelijker een beter betaalde of interessantere baan durven zoeken. Omgekeerd redeneert een werknemer in een land met hoge ontslagkosten en zware procedures dat, hoewel hij zich misschien niet gelukkig voelt in zijn job, hij toch beter die baan houdt. Anders valt zijn bescherming weg. Tegelijkertijd is de werkgever evenmin geneigd om de werknemer te ontslaan wegens de hoge kosten die er aan verbonden zijn. Ook in ons land moeten wij die situatie durven aanpakken. We moeten garanties blijven geven voor sociale bescherming en inkomenszekerheid bij ontslag, maar tegelijk moeten wij de procedures zelf minder rigide maken en moeten wij ervoor zorgen dat de kosten niet zo hoog oplopen dat zij een rem op de zelfontplooiing en de sociale mobiliteit gaan vormen, en uiteindelijk ook op de werkgelegenheid. Werkzekerheid is uiteindelijk belangrijker dan job-zekerheid.

Het elimineren van de werkloosheidsvallen

Wie in België werkloos is, heeft slechts 22% kans om het jaar nadien opnieuw aan het werk te zijn. In landen zoals Denemarken en het Verenigd Koninkrijk loopt de overgang van werkloosheid naar werk een stuk vlotter. Wie daar werkloos werd, heeft bijna één kans op twee dat hij het jaar nadien opnieuw aan de slag is. Dat verschil valt te verklaren door de vele werkloosheidsvallen die in België nog bestaan. Ongetwijfeld de meest typische werkloosheidsval is het verlies van tal van sociale voordelen wanneer een werkloze een job aanneemt. Wie immers van een uitkering leeft, geniet onder andere van een belastingvermindering, verhoogde kinderbijslagen, de maximumfactuur in de gezondheidszorgen, een goedkoper telefoontarief en zo meer. Daar is op zich niets mis mee. Het is rechtvaardig dat mensen die het moeilijk hebben, van enkele voordelen kunnen genieten. Er is evenwel een probleem wanneer die werkloze, eenmaal aan de slag, al die voordelen kwijtspeelt. Want daardoor ontstaat de absurde situatie dat hij minder netto-inkomen overhoudt indien hij gaat werken dan wanneer hij werkloos blijft. Hiervoor is er in feite maar één oplossing, namelijk dat die voordelen slechts geleidelijk worden afgebouwd. En de snelheid waarmee dit gebeurt, kan het best afhangen van de hoogte van het inkomen dat men verwerft uit de nieuwe job. De vraag die we ons eveneens moeten stellen, is of we jongeren die zonder volwaardig diploma de school verlaten, vaak zonder competenties noch perspectief op werk, wel een dienst bewijzen door ze meteen het geld van een wacht- of werkloosheidsuitkering in de hand te stoppen. Vaak geraken ze nooit meer weg uit het stelsel van de werkloosheid. Het wordt een levenslange veroordeling tot “uitkeringstrekker”. Het zijn één voor één menselijke drama’s, waarvoor nochtans eenvoudige remedies denkbaar zijn. Een van die remedies is het afhankelijk maken van de wacht- of werkloosheidsuitkering van het verplicht volgen van een nieuwe vorming of opleiding. Daarnaast kunnen ook nieuwe, langdurige jongerenstages in de bedrijven voor hen worden gecreëerd, waarbij ze een reële competentie verwerven die ze nu schromelijk ontberen.

Het ontwikkelen van de buurteconomie

Hoe dan ook, hoe langer men werkloos is, hoe kleiner de kans dat men ooit werk vindt. Wanneer we werkloosheidsuitkeringen levenslang toekennen, zonder voldoende te activeren of bijvoorbeeld de uitkering in de tijd te beperken, komen werklozen in een negatieve spiraal terecht waarbij defaitisme en een negatief zelfbeeld uiteindelijk de bovenhand halen. Vandaar de noodzaak om mensen die pas werkloos zijn een hogere uitkering te geven. Zo zijn ze beter gewapend bij het zoeken naar een nieuwe baan. Voor langdurig werkzoekenden daarentegen moeten we de zaken anders aanpakken. Eerder dan hun passief en onbeperkt een uitkering te garanderen, moeten we langdurig werkzoekenden een buurtjob geven. Wie die aanneemt krijgt zijn uitkering doorbetaald. Langdurige werklozen die zo terug de handen uit de mouwen steken, herwinnen opnieuw hun kansen op de reguliere arbeidsmarkt. En de ervaring leert dat wie opnieuw werkt sneller zin heeft om een nieuwe opleiding of vorming te volgen. Buurtjobs, georganiseerd door de lokale besturen, maar voornamelijk door de privésector, kunnen ingezet worden in de plaatselijke bibliotheek, het sociaal centrum van de wijk, als stadswacht, bij het onderhoud van het park of het plein, of waarom niet, als hulp in de plaatselijke school of de kinderopvang. Ongetwijfeld zullen sommigen roepen dat dit geen volwaardige jobs zijn. Maar als een buurtjob een hefboom kan zijn naar een vaste baan, wat is daar dan zo onwaardig aan? Wie gelooft in de kracht van mensen, die gelooft in het feit dat werk emancipeert. Het ontwikkelen van de buurteconomie beperkt zich niet tot deze buurtjobs alleen. Er zijn vandaag tal van diensten die in het zwart worden uitgevoerd en die in de buurteconomie opnieuw aan de oppervlakte kunnen komen. Iedereen weet hoe het er vandaag aan toe gaat. Waar vroeger het verschil tussen bruto en netto gering was, is het vandaag buiten alle proporties. Dat is de reden waarom zoveel mensen die geen verstand hebben van schilderen toch zelf hun huis schilderen. Dat is de reden waarom men in gezinnen die werken en waar men weinig tijd voor de kinderen heeft, toch voorrang moet geven aan huishoudelijke taken of klussen. De dienstencheques hebben bewezen dat het anders kan. Ze maken huishoudelijke taken zoals schoonmaak en strijken terug betaalbaar. Laat ons daarom het systeem van de dienstencheques radicaal uitbreiden. Samen met de buurtjobs is dat de hefboom bij uitstek voor het ontwikkelen van de buurteconomie.

Het opheffen van het beschot tussen bedienden en arbeiders

Misschien wel de meest hardnekkige barrière die moet worden gesloopt, is deze tussen bedienden en arbeiders. Wie meer dan een eeuw geleden intellectuele arbeid verrichtte was “de rechterhand van de baas” en had geen arbeidsrechtelijke bescherming nodig. De eerste arbeidsrechtelijke regels golden enkel voor wie met zijn handen werkte: de arbeiders. De anderen werden betiteld als “hoofdarbeiders”. De scheidslijn tussen handenarbeid en hoofdarbeid, die in 1900 nog zichtbaar was, is vandaag grotendeels verdwenen. Behalve Griekenland en België maakt geen enkel Europees land het onderscheid nog. Die tweedeling is vooral bijzonder kunstmatig en doet die “zogenaamde arbeiders” oneer aan. Wie aan de kassa van een supermarkt werkt, is een bediende, want een kassajuffrouw moet kunnen tellen en dat is intellectuele arbeid. Een elektricien is een arbeider want een elektriciteitskast installeren op basis van stroomschema’s is handenarbeid. Wie een machine bedient, is arbeider. Want aan machines maakte men vroeger zijn handen vuil. Dus zijn operatoren arbeiders, ook als ze via een centraal besturingspaneel en met behulp van computergestuurde monitoren een complexe installatie van geïntegreerde machines besturen. Wie van ’s morgens tot ’s avonds de verbruikscijfers van de klanten van de watermaatschappij in de computer intikt, is dan weer een bediende. Het zijn voorbeelden die duidelijk maken dat het onderscheid gewoon niet meer objectief te verantwoorden is. Want het creëert discriminaties waarbij de enen soms teveel bescherming genieten, terwijl anderen die juist moeten ontberen. De invoering van één soepel eenheidsstatuut moet aan deze onrechtvaardige, verticale barrière een einde stellen.

Het personaliseren van de loonvorming

De opdeling van de economie in sectoren is achterhaald. De productie van autovoertuigen bijvoorbeeld, de “automotive industry” is een activiteit waarbij minstens vijf sectoren betrokken zijn: metaal, glas, chemie, textiel en transport. Het gevolg is dat ook de verticale loon- en arbeidsvoorwaarden per economische sector hebben afgedaan. Afwijkende collectieve loon- en arbeidsvoorwaarden voor de transport-, de hout-, de metaal-, de chemiesector betekenen een rem op de economische ontwikkeling, werken concurrentievervalsend en vernietigen bovendien heel wat arbeid. Het beste antwoord hierop is om binnen het Belgische overlegmodel, waarbij de sociale partners loonafspraken maken en dat vrij uniek is, ruimte te creëren voor een meer gepersonaliseerde loonvorming. Zo wordt het mogelijk de lonen meer mee te laten evolueren met de productiviteit van de bedrijven en de werknemers. Het zal ook toelaten jongere werknemers en hun gezin die in het begin van hun loopbaan vaak met hogere kosten en uitgaven worden geconfronteerd een betere verloning te garanderen ondanks hun beperkte anciënniteit. Het zal ook de klassieke baremieke verhogingen uitvlakken. Niet dat die moeten verdwijnen. Maar te scherpe loonstijgingen op het einde van de loopbaan in plaats van bij het begin van de carrière maken dat veertig en vijftigplussers veel moeilijker aan de bak komen. Een meer gepersonaliseerde loonvorming zal ook toelaten om in de arbeidscontracten betere en meer aangepaste gekapitaliseerde pensioenvoorzieningen op te nemen en daarbij meer keuze te geven aan de werknemer. Kortom, precies zoals de loopbaanrekening zal een meer gepersonaliseerde loonvorming zowel bedrijven als werknemers ten goede komen.

Het internationaliseren van het werknemersstatuut

De horizontale economie is per definitie mondiaal. Tijd is in de horizontale economie belangrijker geworden dan ruimte. Maar het juridisch kader waarbinnen onze ondernemingen werken, wordt nog steeds bepaald door de oude grenzen van de natiestaat en dus door regels die de mobiliteit verhinderen van werknemers en bedrijven over die grenzen heen. Hiermee snijden we onszelf tweemaal in het vlees. Zo’n defensieve opstelling, namelijk het vasthouden aan nationale barrières, zal het jobverlies niet kunnen tegenhouden, terwijl we tegelijk de voordelen van de horizontale economie en dus de jobcreatie aan ons zien voorbij gaan. Andermaal moeten we een keuze maken. Die keuze kan slechts in de richting gaan van een open, reglementair kader waarbinnen het onderscheid tussen eigen en vreemde werknemers, kenniswerkers of kaderleden verdwijnt. Wanneer je vandaag als Belgische werknemer in het buitenland gaat werken, wil je het liefst je Belgische sociale zekerheid en Belgische pensioenrechten behouden. Het is inderdaad niet ernstig dat je voor die enkele maanden of jaren dat je in het buitenland werkt, je sociale zekerheid kwijtspeelt of voor die korte periode een dekking in het buitenland moet nemen. Maar ook het omgekeerde is waar. We vragen aan buitenlandse werknemers die hier een tijdje komen werken dat zij zich aansluiten bij onze sociale zekerheid met een hoop papieren en versnipperde sociale rechten tot gevolg. Dat is een achterhaalde en bovendien asociale aanpak die het leven van mensen alleen maar bemoeilijkt. Precies zoals het volkomen achterhaald is aan de werkgevers in ons land niet dezelfde fiscale voordelen toe te kennen, wanneer zij voor hun buitenlandse werknemer een pensioen in het buitenland opbouwen. België heeft niet enkel de roeping om een wereldcentrum te worden voor distributie en logistiek, maar ook voor internationale dienstencentra en pensioenfondsen, met andere woorden fondsen die door een internationale onderneming voor al zijn werknemers centraal vanuit één land kunnen worden beheerd. Een dergelijk wereldcentrum worden, kan een hoop nieuwe werkgelegenheid betekenen voor actuarissen, fiscalisten, consultants en tal van andere gespecialiseerde dienstverlenende beroepen. Een kans die we niet mogen laten liggen door vast te houden aan al te rigide nationale regelgevingen.

Het openbreken van de regionale arbeidsmarkt

Het opruimen van de regels die de mobiliteit van binnen- en buitenlandse werknemers en kenniswerkers afremt, is één zaak. Maar ook binnen onze eigen landsgrenzen zijn er nog torenhoge barrières. Het is onaanvaardbaar dat de werkloosheid in Oostende piekt, terwijl de werkgevers in het vlakbij gelegen Roeselare hun vacatures niet ingevuld krijgen. Het is onaanvaardbaar dat de werkloosheid in Brussel boven de twintig procent uitstijgt, terwijl ondernemingen in Zaventem geen laaggeschoolde werknemers meer kunnen vinden. In een land zo klein als België kan het toch niet dat de werkloosheid in het Zuiden meer dan dubbel zo hoog is als in Vlaanderen. De idee om tussen die regionale arbeidsmarkten nieuwe, nog hogere beschotten op te trekken heeft in een horizontale en internationale economie veel weg van een zwaktebod. In elk geval ben ik er niet van overtuigd dat dit zo’n intelligente optie is. Wat voor regels moeten bijvoorbeeld gelden in Brussel waar zowel Vlamingen, Walen, Nederlandstalige, als Franstalige Brusselaars werken? Is het een optie om nog meer verticale barrières op te richten in een wereld die hoe langer hoe horizontaler wordt? Er zijn natuurlijk verschillen tussen de regio’s. Hun economisch weefsel is anders. Maar zou het verhogen van de mobiliteit van de werknemers niet veel meer zoden aan de dijk brengen? In het verleden trokken de Vlamingen, op zoek naar een betere toekomst, massaal naar Wallonië. Getuige de vele Vlaamse familienamen in het Zuiden van het land. Waarom nu niet werken aan een omgekeerde beweging? Met andere woorden, alle barrières opheffen en de nodige vorming verstrekken om Walen en Brusselaars toe te laten in Vlaanderen aan de slag te gaan? Als bedrijven inspanningen leveren om grensarbeiders uit het noorden van Frankrijk aan te trekken of Poolse bouwvakkers of Indische kenniswerkers, dan moet er ook voor gezorgd worden dat een deel van de bijna driehonderdduizend werklozen in Wallonië en Brussel aan de slag kunnen in Vlaanderen, zeker nu bij ons tienduizenden vacatures niet ingevuld geraken.

Het opruimen van de fiscale drempels

Wellicht de meest hardnekkige hinderpaal op de weg naar de vlakke, horizontale economie is de structuur van de belastingen in België. Dat is niet alleen een probleem in ons land, maar in gans de Europese Unie. Belastingen zijn in Europa hoofdzakelijk gericht op het belasten van arbeid, met andere woorden het belasten van het produceren van welvaart. Dat is zowel het geval voor de personen- als de vennootschapsbelasting. Eigenlijk is dat dom. Het zou veel verstandiger zijn het omgekeerde te doen, namelijk belastingen te heffen op het verbruik of beter nog het vernietigen van welvaart. Of heffingen te leggen op alles wat onze welvaart in de toekomst in het gedrang brengt, zoals de vervuiling bijvoorbeeld of de opwarming van de aarde. Het gevolg van een te zware belastingdruk op arbeid ondervinden we dagelijks aan den lijve. In plaats van de goederen te exporteren die we produceren, voeren we steeds meer onze jobs uit. Zowel op onze eigen als op de meeste buitenlandse markten kunnen we nauwelijks nog concurreren met vooral Aziatische merken die vaak aan zeer lage prijzen worden aangeboden. Een verschuiving van de belastingen op arbeid naar verpakkingsheffingen bijvoorbeeld zou er in elk geval voor zorgen dat niet alleen de hardwerkende Vlamingen en Belgen, maar ook buitenlandse producten een grotere bijdrage gaan leveren aan de inkomsten van de overheid onder meer aan de sociale zekerheid. Terwijl door de verlaging van de lasten op de arbeid de aanmaak van binnenlandse producten een stuk goedkoper wordt. Een zuivere win-winsituatie met andere woorden. Maar even belangrijk als een verschuiving is ook een verdere algemene verlaging van de belastingtarieven, alsmede een grondige vereenvoudiging van het belastingsstelsel zelf. De praktijk heeft aangetoond dat zo’n algemene daling geenszins hoeft te leiden tot een verlies aan ontvangsten. Integendeel. De voorbije jaren werden zowel de successierechten, de registratierechten als de vennootschapsbelasting verminderd, hetgeen leidde tot meer economische activiteit, meer aangiftes en daardoor hogere inkomsten voor de overheid. Tegelijkertijd is een drastische vereenvoudiging noodzakelijk die het belastingstelsel opnieuw overzichtelijk en transparant maakt. Wie kan in het bos van tarieven, schalen, voorheffingen, inkohieringen, abattementen en fiscale uitgaven nog weten wat hij juist afdraagt aan de samenleving? De hervorming van de personenbelasting die aan de drie imperatieven – verlaging, verschuiving, vereenvoudiging - beantwoordt, is de invoering van de “drietrapstaks”. Daarbij zou het inkomen in drie delen worden gesplitst. Op het eerste deel - de eerste vijfhonderd euro die per maand wordt verdiend - wordt geen belasting betaald. Op het tweede deel, zijnde de daaropvolgende schijf van duizend euro, wordt een vast tarief geheven. Op het derde deel, hetzij alle inkomen boven de duizend vijfhonderd euro per maand wordt een tweede hoger tarief aangerekend. De huidige vijf tarieven zouden worden herleid tot twee aanslagvoeten bijvoorbeeld 20% en 40%. Dat is een stuk lager dan het laagste en het hoogste tarief dat we thans in personenbelasting kennen. Maar parallel moet er dan wel drastisch worden gesnoeid in de wildgroei van de fiscale aftrekken. Die zouden worden gehergroepeerd in drie korven bijvoorbeeld, met elk een duidelijk doel voor ogen: kinderen, wonen, pensioen. Daarin zouden telkens voor een begrensd bedrag alle fiscale aftrekken worden ondergebracht die de belastingplichtige naar eigen goeddunken hieraan wil besteden. Ook de beslissing van de Europese Unie om de belasting op het sparen, de zogenaamde roerende voorheffing te harmoniseren past in dit plaatje. Door de opbrengst ervan aan te wenden voor de financiering van het nieuwe drietrapsstelsel geven we die opbrengst niet alleen terug aan de belastingplichtige, maar voeren we tegelijkertijd de grondige verschuiving in belastingen door die onze economie zo dringend behoeft. Tot slot moeten we ook een heel nieuwe attitude ontwikkelen ten aanzien van innovatie. Het creëren van kennis moet vrij worden gemaakt. Vrij van tal van bureaucratische reglementeringen, vrij vooral van belastingen. Daartoe moet de bedrijfsvoorheffing op onderzoekers verder dalen. Nog belangrijker evenwel is het afschaffen van iedere belasting op royalties of inkomsten die voortkomen uit brevetten of patenten.

Normaal lettertype Groter lettertype Extra groot lettertype
burgermanifest.be
openvld-lila.be
OpenTube.be
Rapport Van Mechelen
Word Lid
Liberale lijn in Regeerakkoord
Bezoek de Brainlane website