Per hoofdstuk
De economie in de 19e en het grootste gedeelte van de 20e eeuw was grotendeels georganiseerd volgens een verticaal patroon. Elk land bezat zijn eigen nationale economie en gebruikte zijn eigen nationale munt, afgeschermd door geografische en monetaire grenzen. Iedere nationale economie was op zijn beurt verticaal opgesplitst in vaste sectoren: landbouw, industrie en diensten, waartussen nauwelijks enige interactie bestond. Ook tussen de private en de publieke sector bestond er een beschot. Staatsbedrijven hadden het monopolie over collectieve goederen en diensten zoals post, spoorwegen, luchtvaart, telecommunicatie, tot zelfs de productie van elektriciteit toe, terwijl het private bedrijven verboden was op die terreinen actief te worden. Ook binnen de bedrijven zelf heerste een verticale, piramidale hiërarchie: arbeiders, bedienden, kaderleden, bedrijfsleiders. Elk hadden ze een apart statuut en kregen ze een afgescheiden en welomschreven rol toebedeeld. Deze verticale economie dreef op standaardisatie, synchronisatie, centralisatie, waarbij in grote fabrieken die de hele productieketen herbergden, massagoederen werden aangemaakt vanaf de grondstoffen tot de voor de consument bestemde eindproducten.
Met de globalisering en de massale informatisering, hetgeen Alvin Toffler “de derde golf ” noemde, werd de oude, verticale economie definitief gesloopt. Een vlakke, horizontale economie kwam tot stand. Die nieuwe economie kent geen beschotten meer. Zij functioneert wereldwijd, niet langer gebonden door geografische of monetaire grenzen. Zij kent ook nauwelijks nog de opdeling in primaire, secundaire of tertiaire sectoren. Biobrandsstoffen en biotechnologie in het algemeen hebben van de landbouw een moderne industriële tak gemaakt. En de informatica en informatietechnologie absorberen razendsnel de laatste bestaande verschillen tussen de diensten en de industrie. Micro- en nanoelectronica bijvoorbeeld zijn het resultaat van de samenwerking van zo uiteenlopende wetenschappelijke disciplines als scheikunde, wiskunde, informatica, fysica. En de robotica heeft dan weer de productieprocessen zelf ingrijpend gewijzigd. Ook de opdeling binnen de sectoren is voorbijgestreefd. Moderne transportbedrijven bijvoorbeeld zijn logistieke ondernemingen geworden die niet alleen goederen vervoeren, maar die alle goederenstromen van de aanvoer- tot de distributieketen managen, m.a.w. die goederen ontvangen, opslaan, wegen, verpakken, omslaan, etiketteren, controleren op hun kwaliteit, sorteren, de bestellingen ervan voorbereiden, de voorraad beheren. Stilaan wordt het zelfs onmogelijk om een grens te trekken tussen logistiek en assemblage.
Parallel hiermee heeft ook het gedrag van de consument een ware revolutie ondergaan. In plaats van naar uniforme massaproducten, gaat zijn voorkeur meer en meer uit naar gepersonaliseerde, unieke goederen en naar individuele dienstverlening. Het is niet meer de standaard die telt, maar de opties. Consumenten willen zich door wat ze zich aanschaffen steeds meer van de massa onderscheiden in plaats van er in opgeslorpt te worden. Het meest treffende voorbeeld hiervan is ongetwijfeld de auto-industrie. Waar voorheen in gigantische fabrieken massaal standaardauto’s werden gebouwd waarbij zowel het chassis, de motor als quasi ieder onderdeel zelf werden ontworpen en gefabriceerd, zijn automerken vandaag “brands” geworden die enkel nog de assemblage en de marketing op zich nemen. Al de rest wordt uitbesteed aan gespecialiseerde firma’s die “just in time” hun onderdelen leveren. Daarmee doet de auto-industrie niets anders dan inspelen op wat haar klanten verlangen. Elkeen die zich vandaag een auto aanschaft, stelt die zelf samen naar eigen smaak, behoeftes en persoonlijke voorkeur. Waar dat vroeger alleen de kleur betrof, gaat het nu om zoveel verschillende types als sport-, personen-, station-, monovolume of terreinwagens, met twee, vijf of zeven plaatsen, met een benzine-, diesel- of hybridemotor, aangedreven op twee of vier wielen, een schier oneindige reeks opties die van elke wagen een uniek voorwerp maken. Het illustreert een gigantische ommekeer in het economische denkproces: weg van de massaproductie en uniformisering naar het individuele maatwerk en personalisering.
Het valt niet moeilijk te begrijpen dat die ommekeer enkel mogelijk werd door de revolutie, ontketend door de nieuwe informatietechnologieën. Door hun razendsnelle ontwikkeling kunnen vandaag uiterst complexe productie- en assemblageschema’s worden opgezet. Klassiek bandwerk is daardoor haast verdwenen. Arbeiders vervullen daarbij steeds meer hogere functies, waarbij ze niet alleen uitvoeren, maar ook beslissingen nemen. Vaak zijn het bedienden geworden die een geautomatiseerde productie sturen en controleren. Zo evolueren we in het bedrijfsleven van een verticale, piramidale hiërarchische structuur naar een horizontaal beslissing- en controlesysteem, waarin de verantwoordelijkheid van de werknemers significant toeneemt.
Maar de nieuwe informatietechnologieën liggen aan de basis van nog meer fenomenen. “Offshoring” bijvoorbeeld, waarbij ondernemingen een deel van hun activiteiten in een aparte onderneming onderbrengen. Of “outsourcing” waarbij diensten overal ter wereld worden uitbesteed. Zoals “callcentra”, waarbij een Brit of een Amerikaan een hulplijn voor computerproblemen belt en hij zonder het te merken duizenden kilometer verder doorgeschakeld wordt met een Maleisiër of een Indiër in het dialect van zijn eigen streek. Maar de ontwikkelingen staan niet stil. Sommige bedrijven “sourcen” vandaag alles uit: hun vertalingen, het complete agendabeheer, alle redactioneel werk, de volledige boekhouding. Want, laten we ons geen illusies maken, meer nog dan in de aanmaak van goederen, is bij het verschaffen van diensten de afstand geen obstakel meer. Hoewel, het zou een illusie zijn te denken dat de bedrijfswereld zich in twee helften zal opsplitsen: een deel dat de industriële productie verzekert zoals China en zij die de diensten daartoe leveren, India. India – dat staat vast - zal op vrij korte termijn een eigen productie van semi-conductoren of halfgeleiders ontwikkelen, terwijl China - ook daar bestaat geen twijfel over – vrij vlug over een eigen informatica- en researchcapaciteit zal beschikken. Hoe dan ook, wat zeker als een paal boven water staat, is dat de welvaart die in een verticale economie geconcentreerd was in een beperkt aantal landen, zich in de horizontale economie zal uitspreiden over de hele aardbol.
De vraag die zich stelt, is hoe wij, Europeanen, hierop reageren? Wij die nog schatplichtig zijn aan de oude, verticale ordening van de wereld. Welnu, precies zoals de tribale samenleving geen optie is voor het oplossen van de maatschappelijke problemen, is het vasthouden aan een gesloten, verticale economie geen antwoord op de economische uitdagingen. Bovendien moeten we niet pogen om onder het onvermijdelijke uit te komen. Vooral niet wanneer het onvermijdelijke reeds dagdagelijkse realiteit is geworden. Integendeel, Europa moet resoluut durven kiezen voor haar inschakeling in de nieuwe economische wereldorde. En die is open en horizontaal. Zodat het erop aankomt zo snel mogelijk komaf te maken met alle barrières en beschotten als even veel restanten van de oude verticale wereldorde. Daarbij moeten we één fout vermijden, namelijk denken dat het zal volstaan om te investeren in één niche of specialiteit. Om onze toekomstige welvaart veilig te stellen moeten we pogen op zoveel mogelijk domeinen uit te blinken. Want nogmaals, het onderscheid tussen sectoren verdwijnt. Het beschot tussen logistiek en distributie, diensten en industrie zal in hoog tempo ophouden te bestaan.











