De evaluatie
Het Eerste Burgermanifest
Het Tweede Burgermanifest
Het Derde Burgermanifest
Heeft een échte democratie nood aan een middenveld? Vernietigt het burgerschap het sociaal weefsel van de samenleving? Kan er, tegen de enorme macht en de aanzienlijke belangen van zuilen en pressiegroepen in, wel een democratie van de burger tot stand worden gebracht? Vele burgers vragen zich dit af. Hun twijfel ter zake moet eerst worden weggenomen vooraleer we de leidraad van de maatschappelijke vernieuwing verder kunnen uittekenen.
De hoofdredacteur van een, aan de machtigste zuil van het land verbonden, krant gaf me niet lang na de Europese verkiezingen van 12 juni 1994 de vriendschappelijke raad mijn politieke carrière niet verder de grond in te boren, mijn ideeën op te bergen en mij neer te leggen bij het onvermijdelijke. "Ga met hen praten," zei hij. "Sluit een akkoord met de grote zuilen en pressiegroepen. Tegen hen in of zonder hun instemming kun je toch niets doen," luidde zijn goed bedoeld advies. Een andere hoofdredacteur, overigens van een krant die zich tot de liberale strekking rekent, schreef zelfs in een Open brief aan alle liberalen – een brief die bijgevolg ook aan mij was gericht –, dat vakbonden, ziekenfondsen en andere pressiegroepen in onze samenleving nu eenmaal de macht in handen hebben en dat het zinloos is te trachten daar tegen in te gaan (8).
De reactie van de eerste hoofdredacteur vond ik begrijpelijk. Tenslotte werkt die man voor de beweging, zoals dat heet. De reactie van de tweede vond ik ronduit verschrikkelijk. Ziedaar iemand die zich liberaal noemt, maar zich in feite gedraagt als je reinste conservatief. Die man heeft zich neergelegd bij de ontsporing van onze samenleving, zogezegd omdat er toch niets aan te doen is. Hetzelfde argument zou je kunnen aanvoeren om passief toe te kijken op de burgeroorlog in het voormalige Joegoslavië of op de genocide in Ruanda of op de communistische dictatuur in Cuba en China. "Laat maar gebeuren, er is toch niets aan te doen!" Van zo'n houding krijg ik niet alleen de kriebels, ik baal er ronduit van. In mijn visie kun je beter vechten en ten onder gaan, dan je zonder meer neerleggen bij de feiten.
Het aangevoerde argument is trouwens vals. Het sociaal weefsel van de maatschappij wordt niet vernietigd, integendeel zelfs, als men de macht van de zuilen, de pressie- en belangengroepen bestrijdt en die macht wil teruggeven aan de burgers. In een maatschappij als de onze daarentegen, die ingedeeld is in strikt gescheiden kasten en standen, is geen diepgaande vorm van samenleven mogelijk en zijn er geen gezonde sociale relaties denkbaar. In een verzuilde samenleving blijft de horizon van de mens beperkt tot de eigen groep. En die groep regelt alles: in welk ziekenhuis je geboren wordt, waar je naar school gaat, welke opvoeding je ontvangt, in welk ziekenhuis je voor verzorging terecht moet, in welke buurt je woont, waar je terecht kan voor ontspanning en uiteindelijk ook waar je je laatste adem uitblaast. Kortom, je wordt binnen een zuil geboren en je sterft erbinnen.
Samenleven is echter iets heel anders, iets veel rijkers dan een min of meer onbezorgd leventje leiden binnen de eigen groep. Het is leven in een gemeenschap die het niveau van de eigen groep overstijgt. Het veronderstelt dat je ook oog hebt voor en solidair bent met diegenen die niet tot je groep behoren. Samenleven veronderstelt een zoeken naar een hoger, algemeen belang. Dat is het tegendeel van het leven binnen een groep of een clan, die gedreven wordt door egoïsme en afgunst op de anderen. Meer nog, het staat diametraal tegenover een maatschappij waarin de zuilen en de pressiegroepen in de plaats van de burgers de macht zijn gaan uitoefenen.
Dat betekent hoegenaamd niet dat een echte democratische samenleving geen groepen, verenigingen of – om een woord uit de hedendaagse politieke terminologie te gebruiken – geen middenveld zou kennen. Integendeel, een waarachtige democratie, een democratie waarin de burgers zich daadwerkelijk maatschappelijk betrokken voelen, heeft nood aan een middenveld. Willen de burgers kunnen deelnemen aan het democratisch besluitvormingsproces, dan moeten ze mondig zijn. Want zonder mondige burgers is er geen echte democratie. Mondigheid veronderstelt evenwel kennis, maar vooral inzicht in de maatschappelijke problemen die zich stellen, én in de wijze waarop die problemen kunnen worden aangepakt. Dat inzicht kan men verwerven door opvoeding, onderricht en studie, maar het makkelijkst van al nog door intens deel te nemen aan een vrij verenigingsleven. Op die manier komt de burger in contact met zijn medeburgers, wordt zijn eigen, beperkt wereldje ontsloten, krijgt hij oog voor de problemen van anderen en ontwikkelt hij een eigen, bewuste kijk op de samenleving. Die samenleving zal hem dan niet langer onberoerd laten, maar hem steeds meer gaan boeien en intrigeren.
Een ware democratie wordt bijgevolg gekenmerkt door een intens verenigingsleven. Actief deelnemen aan om het even welke vereniging, ongeacht of het nu een cultuurfonds betreft, dan wel een bestuursraad van een school, een milieubeweging, een lokale afdeling van een ontwikkelingsorganisatie of een consumentenvereniging, opent en scherpt de geest. Dergelijke verenigingen maken immers mogelijk dat burgers van elke groep of stand met elkaar in contact komen. Ingevolge die "grensoverschrijdende" openheid worden nieuwe opvattingen, oude waarheden en diepgewortelde gebruiken uitgewisseld, waardoor nieuwe gemeenschappelijke inzichten kunnen ontstaan. Op die manier, al zoekend, met vallen en opstaan, ontwikkelt het eenkennige individu zich tot "burger", tot een mens-in-gemeenschap en stelt hij zich boven zijn groep. Aldus wordt hij mondig, kritisch en weerbaar, kortom, bekwaam om in onze democratische samenleving een oordeel te vellen en standpunten in te nemen. Een vrij verenigingsleven verschaft bijgevolg het tegengif voor verzuiling en groepsegoïsme.
Door de verzuiling zijn de mensen geen mondige burgers, maar slaafse onderdanen geworden. De zuilen bepalen immers niet alleen het leven dat hun leden leiden, ze bepalen ook hun denken. Zodanig zelfs dat de leden niet meer hoeven te denken. De zuilen denken in hun plaats en doen overigens niets liever. Zuilen hebben namelijk geen nood aan mensen die voor zichzelf kunnen opkomen, die mondig zijn en verder kijken dan het groepsbelang, met andere woorden, oog hebben voor de samenleving. Zuilen hebben enkel nood aan leden die anderen hun bestaan laten regelen, die onmondig zijn en misschien niet liever vragen dan dat er in hun plaats wordt gedacht (9).
Hoe goed de organisaties die deel uitmaken van de zuilen, het aanvankelijk ook mogen hebben bedoeld, ze streven allang niet meer de bewustwording, de mondigheid of de lotsverbetering van de leden na, maar enkel de uitbreiding van de macht en de invloed van de organisatie zelf. De zuilen zijn heuse mastodonten geworden, waarvoor het "belang van de leden" allang geen nobel doel meer op zich is, maar een uitvlucht, ja zelfs een voorwendsel om steeds meer maatschappelijke taken naar zich toe te halen teneinde steeds meer rijkdom en politieke macht te verwerven. De zuilen zijn zodoende uitgegroeid tot echte concerns met banken, immobiliënvennootschappen, woningbouwmaatschappijen, farmaceutische bedrijven, apotheken, ziekenhuizen, reisagentschappen en participaties in zowat alle takken van handel en industrie. Deze concerns, conglomeraten, of hoe je ze ook wil noemen, beschikken over ontzaglijke fortuinen, een immens aantal onroerende goederen en heel wat politieke macht. Die politieke macht oefenen ze uit door gebruik te maken van de bevoorrechte banden die ze met de traditionele politieke partijen onderhouden.
Van progressieve, hervormingsgezinde, vaak revolutionaire organisaties zijn de zuilen en hun belangengroepen geëvolueerd tot de meest conservatieve en behoudsgezinde machtscentra in onze samenleving. Om het even welke aanpassing of maatschappelijke vernieuwing blokkeren ze of remmen ze af, uit angst dat ze een stukje macht of rijkdom zullen moeten prijsgeven. Uiteindelijk levert die houding de mensen, wier belangen ze beweren te verdedigen, maar na- dan voordelen op (10).
De nood aan een ander middenveld neemt stilaan toe. Dat middenveld moet bestaan uit verenigingen die om het even welk sociaal doel voor ogen hebben (verenigingen die bijvoorbeeld actief zijn op het vlak van de volksgezondheid of de arbeidsvoorwaarden) en die, net zoals de culturele, de milieu- en de consumentenverenigingen, opnieuw de zelfstandigheid van de burger en zijn lotsverbetering nastreven in plaats van zijn slaafse aanhankelijkheid.
Vooraleer zo'n nieuw middenveld tot stand kan komen, is het echter noodzakelijk dat er een duidelijke scheiding wordt aangebracht tussen, enerzijds, de verenigingen en organisaties die zich tot doel stellen bepaalde belangen te verdedigen of bepaalde ideeën te verspreiden, en, anderzijds, de instellingen die de maatschappelijke taken organiseren, waarop die belangen of ideeën betrekking hebben. Want uitgerekend de vermenging van beide heeft geleid tot verzuiling en tot institutionalisering van het groepsegoïsme. Dat groepen of verenigingen een bepaald belang of een idee verdedigen, is legitiem. Niet legitiem en hoegenaamd niet te verantwoorden is dat diezelfde groepen of verenigingen daartoe de organisatie van maatschappelijke taken op zich nemen of zich regelrecht overheidsopdrachten toeëigenen, waarop die belangen betrekking hebben. Dat is een onduldbare vorm van belangenvermenging, waardoor die groepen konden uitgroeien tot ware machtsconcerns. Deze zuilen oefenen thans een buitensporige invloed uit op de samenleving en de politiek, omdat zij in de loop der jaren steeds verder zijn afgeweken van hun oorspronkelijke, nobele bedoelingen en steeds meer verworden zijn tot bureaucratieën, waarvoor enkel invloed, macht en rijkdom van belang zijn.
De totstandkoming van een nieuw middenveld houdt ook in dat de ziekenfondsen écht patiëntenverenigingen moeten worden, die niet langer zelf de gezondheidszorg organiseren, maar wel de belangen van zieken en gehandicapten verdedigen. Want hoe kan een ziekenfonds die belangen terdege verdedigen, waneer het zelf ziekenhuizen uitbaat, apotheken bezit en farmaceutische bedrijven overneemt? Zo'n ziekenhuis is immers een financieel doorgeefluik, dat enkel dient om het geld van de belastingbetaler door te sluizen naar de rekeningen van geneesheren, ziekenhuizen, apothekers en fysiotherapeuten.
Onze moderne samenleving heeft geen nood aan ziekenfondsen die zich op die manier vetmesten (om dan nog te zwijgen van de vele fraudegevallen), maar aan heuse gezondheidsverenigingen, die opkomen voor de kwaliteit van de zorgenverstrekking, die de zorgenverstrekkers op de vingers kijken en die vooral aan preventie doen. Dit preventieve beleid, dat erop gericht is ziekten en ongevallen te voorkomen, moet tevens nieuwe, gezonde leefwijzen propageren, wat niet alleen veel menselijk leed, maar ook veel maatschappelijke kosten kan voorkomen.
In dezelfde zin moeten ook de vakbonden weer échte werknemersverenigingen worden. De vakbonden zijn bijna uitsluitend werklozenkassen geworden, hoe kunnen ze dan nog oog hebben voor de werkenden? Ik hoor de vakbondslui voortdurend praten over steun en over uitkeringen, maar ik hoor hen nog nauwelijks iets zeggen over jobs en werkgelegenheid. Is de tijd niet rijp voor nieuwe en échte arbeids- of werknemersorganisaties? Voor verenigingen, die niet langer politieke macht nastreven en die niet langer de broodnodige sociale en economische veranderingen tegenwerken, maar die daarentegen opkomen voor werk, voor lagere brutolonen en betere nettolonen, voor kapitaalparticipaties van en deelnamen in de winst voor de werknemers? Nu de tegenhanger van het kapitalisme bijna van de aardbol is verdwenen, wordt het immers tijd dat het kapitalisme zelf wordt gedemocratiseerd en gepopulariseerd.
Of er naast de vele culturele, milieu- en consumentenverenigingen ook nieuwe patiëntenverenigingen en arbeidsorganisaties zullen ontstaan, is niet te voorspellen. Een echte democratie heeft ze nochtans nodig. De democratie wordt thans versmacht door een middenveld dat bestaat uit een gesloten netwerk van zuilen en organisaties, die iedere poging tot maatschappelijke aanpassing en vernieuwing tegenwerken, ja zelfs, tegenhouden. Binnen afzienbare tijd is er echter nood aan een nieuw middenveld dat het groepsbelang kan overstijgen en samen met de burger de maatschappelijke veranderingen durft voor te bereiden die onze samenleving broodnodig heeft.











