Burgerdemocratie

Aan de vooravond van de eenentwintigste eeuw heeft onze samenleving nood aan een nieuwe, moderne visie op het "algemeen belang", waarmee we de afgunst en de angst kunnen overstijgen die zich uiten in het thans zo welig tierende groepsegoïsme en in een toenemend racisme. Zo'n nieuwe visie op het algemeen belang kan ons tevens uit de politieke en economische crisis loodsen, waar we de jongste decennia mee te kampen hebben. Bovendien is er nood aan een nieuw bestuurlijk concept, waarbinnen de inmiddels noodzakelijk geworden maatschappelijke hervormingen kunnen worden doorgevoerd.

Wij hebben met andere woorden nood aan een nieuwe leidraad, maar niet aan de ene of andere ideologie die ons tot in de puntjes voorhoudt hoe we moeten leven. Van die behoefte is de mensheid in de loop van deze eeuw hopelijk definitief verlost. De nieuwe visie of leidraad moet tevens aangepast zijn aan de moderne tijd en aan de hedendaagse samenleving, die wordt gekenmerkt door een toenemend individualisme bij een bevolking die steeds mondiger wordt en steeds vrijer denkt en handelt. De nieuwe visie moet tevens ruimte bieden voor meer zelfreglementering en meer zelfbestuur. Belangrijk daarbij is dat de overheid niet langer bestraffend optreedt dan wel stimulerend, zodat de positieve ontwikkelingen worden versterkt en de negatieve zichzelf gaan tegenwerken (5). De economie van haar kant moet zoveel mogelijk de markt en de marktmechanismen laten spelen, terwijl een verlaging van de fiscale en sociale lasten ervoor moet zorgen dat er opnieuw werkgelegenheid in plaats van werkloosheid wordt gecreëerd. De sociale politiek moet efficiënter worden aangepakt en doelmatiger worden georganiseerd, zodat er op sociaal vlak betere resultaten worden geboekt. Kortom, de nieuwe visie moet vorm geven aan een beleid dat op nieuw rekening houdt met de toekomst en ook nauwlettend over die toekomst waakt, niet alleen op economisch vlak, maar onder meer ook wat leefmilieu, cultuur, opvoeding en de toekomst van de jongere generaties betreft.

Het belangrijkste aspect van die nieuwe, moderne visie is ongetwijfeld dat de politieke macht (de macht om in een democratische samenleving politieke beslissingen te nemen) aan de pressie- en belangengroepen moet worden ontnomen en aan de burger moet worden teruggegeven. Gebeurt dat niet dan is er geen nieuwe toekomst mogelijk. Zonder zo'n staatkundige vernieuwing blijven de corporatistische pressie- en belangengroepen immers de wet dicteren en blijven ze elke sociale, politieke of economische verandering of vernieuwing tegenhouden. Anders gesteld, zonder zo'n staatkundige vernieuwing is elke hoop op verandering louter een utopie.

Op die staatkundige vernieuwing ben ik in de twee vorige burgermanifesten uitvoerig ingegaan. Ze veronderstelt onder meer de afschaffing van de stemplicht en de kopstem bij verkiezingen, de invoering van het referendum, de oprichting van een Grondwettelijk Hof dat iedere politieke beslissing kan toetsen aan de grondwet, de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester, alsook een wijziging van het kiesstelsel zodat ook de eerste-minister rechtstreeks door de burgers wordt verkozen. Al die hervormingen ga ik hier niet opnieuw uitvoerig bespreken. Ik wil alleen drie verduidelijkingen aanbrengen.

Vooreerst, al deze hervormingen moeten, in de mate van het mogelijke, gelijktijdig worden doorgevoerd.

Vernieuwing is immers slechts mogelijk wanneer de burgers actief deelnemen aan de democratie en het vellen van een oordeel niet voortdurend overlaten aan anderen. In een democratie die alleen stoelt op de wet van het getal (of op de wil van een toevallig verkozen meerderheid), keert de burger zich af van publieke bekommernissen en is hij nog enkel begaan met zijn eigenbelang of de belangen van de groep waarvan hij deel uitmaakt. Zo'n staatkundig bestel wordt weliswaar nog democratie genoemd, maar is dat in wezen niet meer. Echte democratie veronderstelt namelijk dat de burgers daadwerkelijk inspraak hebben, participeren aan de genomen beslissingen en meewerken aan het tot stand komen van een maatschappelijke concensus. In een "onechte" democratie, zoals wij die thans kennen, worden de politieke beslissingen en de maatschappelijke concensus daarentegen opgedrongen door de leiding van de politieke partijen, de zuilen en de belangengroepen.

Kortom, een échte democratie waar de burgers niet lijden aan politieke apathie, maar medeverantwoordelijk zijn en het "algemeen belang" stellen boven het eigenbelang of het groepsbelang, heeft nood aan méér dan uitsluitend vierjaarlijkse parlementsverkiezingen. Uiteraard zijn parlementsverkiezingen noodzakelijk, maar daarnaast is er evenzeer nood aan volksraadplegingen, een Grondwettelijk hof, een federale staatsstructuur waarbij het beleid niet van bovenaf wordt gestuurd, maar van onderuit, met name vanuit de buurten, de wijken en de gemeenten. Anders gesteld, een ware democratie heeft nood aan allerhande kanalen waarlangs de burger rechtstreeks bij de politieke besluitvorming betrokken wordt.

De tweede verduidelijking betreft de afschaffing of, beter nog, het neutraliseren van de kopstem. Dat is de eerste en meest dringende wijziging die aan de kieswet moet worden aangebracht. Sinds 1919 – het jaar waarin het algemeen enkelvoudig stemrecht in ons land werd ingevoerd – werden slechts 31 van de in totaal 7.077 parlementsleden "rechtstreeks" verkozen, dat wil zeggen dat ze parlementslid werden op basis van de door hen behaalde voorkeurstemmen (6). De kopstem verleent immers de leiding van de politieke partijen alsook de leiding van de pressiegroepen in de schoot van die partijen, het alleenrecht om te bepalen wie er in het parlement terechtkomt en wie niet.

Het principe van de kopstem druist met andere woorden lijnrecht in tegen het wezen van de democratie. Erger nog, het is tevens één van de belangrijkste oorzaken van de heersende politieke apathie en voor de vlucht van tal van kiezers naar extremistische en antipolitieke partijen. Wie ontevreden is of verandering wil, kan dat immers niet uiten door kandidaat A in plaats van kandidaat B naar het parlement te sturen. De enige keuze die zo'n kiezer rest, is zijn ongenoegen te tonen door te stemmen voor een extremistische of antipolitieke partij. Over de afschaffing of de neutralisering van de kopstem zou dan ook, over de partijgrenzen heen, heel snel een brede maatschappelijke concensus tot stand moeten komen.

De derde verduidelijking betreft het toekomstige kiesstelsel. Het uitgangspunt bij de discussie ter zake moet hoe dan ook de bekommernis zijn de burger voortaan daadwerkelijk te laten beslissen over de regering en het regeringsbeleid. Een proportioneel kiesstelsel lijkt heel democratisch, maar is het dat in werkelijkheid ook? Alle strekkingen zijn dan wel mooi evenredig vertegenwoordigd in het parlement, maar de burger heeft er op de verkiezingsdag het raden naar met welke regering en met welke regeringsbeleid hij nadien te maken krijgt.

In een meerderheidsstelsel geldt het omgekeerde.

Niet iedere strekking of partij haalt de volksvertegenwoordiging, maar de burger kiest een parlementaire meerderheid die reeds de dag na de verkiezingen de macht bezit om haar programma in daden om te zetten. Bijgevolg geen weken- of maandenlange onderhandelingen meer, geen heimelijk gekonkel meer en uiteindelijk geen onbegrijpelijke compromissen meer, waarvoor in feite niemand heeft gestemd. Welk nieuw kiesstelsel we ook invoeren, het moet de burger macht toekennen, niet alleen over de wetgever, maar ook over de uitvoerende macht, met name over de regering. Het stelsel moet de burger in staat stellen de regering rechtstreeks te sanctioneren. Of daartoe geopteerd wordt voor de invoering van een meerderheidsstelsel, ofwel voor een uitbreiding van ons huidig proportioneel stelsel met rechtstreekse verkiezing van de burgemeester en de eerste-minister, dan wel voor een combinatie van beide, is volgens mij van ondergeschikt belang.

Normaal lettertype Groter lettertype Extra groot lettertype
burgermanifest.be
openvld-lila.be
OpenTube.be
Rapport Van Mechelen
Word Lid
Liberale lijn in Regeerakkoord
Bezoek de Brainlane website