De evaluatie
Het Eerste Burgermanifest
Het Tweede Burgermanifest
Het Derde Burgermanifest
De ontspoorde democratie is niet alleen een politiek gegeven. Ze weerhoudt ons er ook van de ernst te onderkennen van de zware economische problemen waarmee we het jongste decennium worden geconfronteerd. Sterker nog, ik heb de indruk dat de ontspoorde democratie de voornaamste oorzaak is van de economische moeilijkheden waarmee we thans af te rekenen hebben. Die economische moeilijkheden worden op geregelde tijdstippen versluierd door conjunctuuropstoten, waardoor we maar al te graag vergeten dat onze economie en onze industrie sinds het begin van de jaren zeventig bestendig in crisis verkeren. Ook op dit ogenblik. In 1994 wordt er een magere groei verwacht van net geen twee procent en iedereen – de officiële instanties op kop – verkondigt dat alles weer goed gaat en dat de economische problemen zijn opgelost.
Misschien hoort de burger zulke berichten graag, maar dat belet niet dat de economische werkelijkheid er jammer genoeg enigszins anders uitziet. Onder al die conjunctuurschommelingen gaat immers al bijna twee decennia een zware structurele crisis schuil. Europa verliest voortdurend markten en marktaandelen. Wij kunnen steeds minder concurreren met Noord-Amerika en Zuidoost-Azië, om niet eens te spreken van Noord-Afrika en de vroegere Oostbloklanden. Europa kent mede daardoor een werkloosheidsgraad die bijna het dubbele bedraagt van die in de Verenigde Staten en het drievoudige van die in Japan. Landen als Taiwan, Singapore en Hongkong kennen daarentegen helemaal geen werkloosheid. Europa heeft een arbeidsmarkt die zo strak en overgereglementeerd is, dat de reële economische groei bijna drie procent moet bedragen vooraleer de werkloosheid daadwerkelijk gaat dalen. In de VS en Japan daarentegen resulteert een groei van minder dan één procent al in reële toename van de werkgelegenheid.
Binnen de Europese context is de toestand van België zo mogelijk nog dramatischer. Het voorbije decennium lag de economische groei in ons land lager dan het Europese gemiddelde en lager dan de gemiddelde groei in de geïndustrialiseerde wereld. Ook de werkloosheid was merkelijk hoger. Bovendien, en dat is inmiddels genoegzaam bekend, is de Belgische overheidsschuld de hoogste van alle geïndustrialiseerde landen. Tevens bereikt het aantal faillietverklaringen jaar na jaar een nieuwe recordhoogte, terwijl de investeringen er inmiddels voor het derde opeenvolgende jaar op achteruitgaan.
Officieel is er echter niets aan de hand. Integendeel, de regeringsinstanties melden maand na maand dat de vooruitzichten er alsmaar beter op worden. Zij staren zich blind op de conjunctuurbarometer die, zoals de weerbarometer, na regen zonneschijn belooft, maar de zich langzaam voltrekkende klimaatverandering niet weergeeft. Ondertussen woedt onderhuids de eonomische crisis in alle hevigheid voort. Ondernemingen wijken uit naar andere landen. Afzetmarkten gaan verloren. Jobs verdwijnen en komen nooit meer weer. Tot voor enkele jaren bestempelden we een werkloosheidsgraad van 10 procent van de actieve bevolking nog als sociaal onaanvaardbaar. Thans is dat percentage opgelopen tot 14 procent, en bij de volgende conjuncturele inzinking zullen we hoogstwaarschijnlijk aankijken tegen een werkloosheidsgraad van zowat 20 procent, wat wil zeggen dat op dat ogenblik één actieve op vijf zonder job zit.
Bovenvermelde cijfers zijn officiële werkloosheidscijfers. Maar de reële werkloosheid ligt veel hoger, zoals uit de studie van de Franstalige econoom Benoît Drèze blijkt. De reële werkloosheid bedraagt geen 14, maar een schrikwekkende 40 procent (32 procent in Vlaanderen en 46 procent in Wallonië). Al twintig jaar stijgt de reële werkloosheid in ons land jaarlijks met 10 procent. In de praktijk betekent dit dat het aantal reële werklozen is opgelopen van 70.000 in 1974 tot meer dan 1,1 miljoen in 1994. Maar ook deze verontrustende cijfers zijn nog niet helemaal correct, want de zieken, de gehandicapten en al wie geen werkloosheidsuitkering maar bijvoorbeeld wel een OCMW-toelage ontvangt, zijn in die cijfers niet eens inbegrepen (4).
Wie deze cijfers bekijkt en daarbij denkt aan de persoonlijke en familiale drama's die erachter schuilgaan, kan het kunstmatig opgeklopte optimisme van de officiële instanties moeilijk delen. Althans ik kan dat niet, hoewel het makkelijker zou zijn dat wel te doen omdat, zoals men zegt, "de mensen niet graag slecht nieuws horen". Maar meehuilen met de wolven zou niet eerlijk of oprecht zijn, temeer daar de huidige structurele economische problemen kunnen worden beheerst en opgelost, als we tenminste de moed hebben ze daadwerkelijk aan te pakken. Er is dus geen enkele reden om over die problemen te zwijgen of te doen alsof ze niet bestaan.
Maar wat gaat er precies fout? Wat loopt er de jongste twee decennia mis? Welnu, sinds het begin van de jaren zeventig is onze economie terechtgekomen in een helse kringloop, een vicieuze cirkel, een zichzelf voedende neerwaartse spiraal. Onder druk van allerlei belangengroepen is in de loop der jaren het overheidsbeslag (het deel dat de staat neemt van alles wat we samen produceren en creëren) opgelopen tot meer dan vijftig procent. In de praktijk bleek dat uit de aanhoudend stijgende fiscale en sociale lasten, uit de steeds hoger wordende bijdragen en de almaar oplopende belastingen. Dat alles resulteerde op zijn beurt in de huidige, ondraaglijk hoge loonkosten.
België heeft echter een open economie die volledig afhankelijk is van de export en daarom des te meer rekening moet houden met de concurrentie van andere landen. Die concurrenten vinden we zowel in als buiten Europa, met name in die landen waar het overheidsbeslag lang niet zo hoog is en de loonkosten bijgevolg aanzienlijk lager zijn. Willen onze bedrijven zichzelf niet uit de markt prijzen, dan moeten ze ofwel met hun produktie uitwijken naar landen met lagere loonkosten (wat trouwens steeds vaker gebeurt), ofwel hun produktiviteit voortdurend opdrijven (dat wil zeggen een stijging nastreven van het aantal geproduceerde goederen of diensten per arbeidsuur). Zo'n produktiviteitsverhoging kan, behalve door investeringen, enkel worden bereikt door rationalisaties of saneringen, wat neerkomt op het af- en uitstoten van dure arbeid en hoge loonkosten.
Hiermee is het probleem nog maar voor de helft verklaard. Immers, de uitstoot van arbeid die het onvermijdelijke gevolg is van zowel het streven naar produktiviteitsverhoging als van het uitwijken van bedrijven, veroorzaakt echter bijkomende werkloosheid. De stijging van de werkloosheid heeft dan weer bijkomende overheidsuitgaven tot gevolg, die op hun beurt de fiscale en sociale lasten – en daardoor ook de loonkosten – weer doen toenemen. Op dat ogenblik is de vicieuze cirkel rond, want uit concurrentiële overwegingen zullen de bedrijven trachten die verhoogde loonkosten te compenseren door verdere produktiviteitsverhogingen, met andere woorden, door nieuwe rationalisaties en saneringen door te voeren.
België bezit de hoogste produktiviteit in de wereld en daar zijn wij terecht trots op. Als we echter niet opletten, hebben we binnenkort ook de hoogste werkloosheidsgraad. Ik zou er in dit verband nog uitdrukkelijk op willen wijzen dat ook onze overgereglementeerde arbeidsmarkt tot de zonet beschreven helse, neerwaartse spiraal bijdraagt. Door de invoering van minimumlonen, loonindexeringen, loonschalen en syndicale premies, alsook door de arbeidsduurreglementering, de mogelijkheid tot loopbaanonderbreking, tot vervroegde vrijwillige en gedwongen pensionering, door de invoering van ondernemingsraden, veiligheidscomités, vestigingswetten en noem maar op, is onze arbeidsmarkt in zo'n strak keurslijf gedwongen dat ze, samen met de al te hoge loonkosten, werkgelegenheid uitstoot in plaats van creëert. vKan daar een mouw aan worden gepast? In theorie wel, maar in de praktijk blijkt dat de zuilen en pressiegroepen iedere grondige aanpassing tegenhouden. Een vermindering van de zware fiscale en sociale lasten, met andere woorden een vermindering van het overheidsbeslag, is nodig om de hoge loonkosten te doen dalen. en dat willen de zuilen en de belangengroepen niet. Zij ontlenen daaraan juist hun voorrechten en hun macht. Hun leden bevolken de overheidsadministratie, zetelen in de overheidsbedrijven, beheren de ziekteverzekering, de ziekenhuizen en werklozenkassen. Hun leden besturen de treinen, bestellen de post en zorgen ervoor dat de telefoon werkt. Ieder voorstel tot inkrimping of tot efficiëntere organisatie van de overheidssector wordt dan ook met argwaan bekeken en wordt ervaren als een onaanvaardbare aanslag op hun voorrechten.
Een soortgelijke reactie duikt op zodra de nochtans levensnoodzakelijke versoepeling van de arbeidsmarkt ter sprake wordt gebracht. De vakbonden zijn daar resoluut tegen. De werkgeversverenigingen spreken er wel veel over, maar doen er weinig aan. Nochtans gaan door de wijze waarop onze arbeidsmarkt is georganiseerd, tienduizenden jobs verloren. Dat laatste lijkt de vakbonden en de werkgeversorganisaties steeds minder te interesseren. Dat bleek onlangs nog bij de herstructurering van 's lands grootste distributiebedrijf, toen beide partijen het op een akkoordje gooiden. Daarbij kregen de werkgevers vrij spel om duchtig te saneren en te rationaliseren (ruim duizend ontslagen en nieuwe bruggepensioneerden), terwijl de vakbonden – ik veronderstel bij wijze van beloning voor hun tolerantie – de zekerheid kregen dat ze rechtstreeks de vakbondspremies van de ontslagen werknemers zouden mogen blijven incasseren tot de betrokkenen vijfenzestig jaar waren, kortom, ook tijdens de vele jaren dat de ontslagenen niet meer voor het bedrijf zullen werken. Uit dit schrijnende voorbeeld blijkt overduidelijk dat de drukkingsgroepen niet langer begaan zijn met de lotsverbetering van de mensen, maar nog enkel hun eigen materiële voordelen wensen veilig te stellen.
Dat alles roept stilaan het beeld op van een Europees continent dat er enkel nog door aanhoudende rationalisaties en produktiviteitsstijgingen in slaagt het hoofd boven water te houden. Een continent met steeds minder actieven en produktieven, en steeds meer werklozen, uitkeringstrekkers, steungerechtigden en bestaandsonzekere mensen, die moeten leven van watg de overheid hen toesteekt. Een continent waar het corporatisme welig tiert en de reële democratie in de verdrukking komt. Aan het einde van de twintigste eeuw herinnert de Europese samenleving steeds meer aan de samenleving aan het einde van de middeleeuwen, toen het groepsegoïsme van de gilden en de corporaties, die allemaal hun eigenbelang najoegen, een rem zette op de economische en maatschappelijke vooruitgang. Bevinden we ons thans niet in een vergelijkbare situatie?











