De ontspoorde democratie

De traditionele partijen – socialisten en christen-democraten – die hun macht ontlenen aan de verzuiling en de bureaucratisering van de staat, halen bijlange na geen meerderheid van stemmen meer. Het extremisme, de antipolitiek, de "one issue"-partijen bekoren daarentegen steeds meer kiezers. Op dat vlak verschilde 12 juni 1994 in weinig opzichten van 24 november 1991. Alleen is het beeld nog duidelijker, nog scherper geworden.

De democratie in ons land kan, evenals in vele andere Europese landen, nog bezwaarlijk een échte democratie worden genoemd. Onder échte democratie versta ik, enerzijds, een staatsbestel waarin de burgers beslissen wie er regeert en hoe er wordt geregeerd, en, anderzijds, een samenlevingsconcept dat het algemeen belang nastreeft.

Onze democratie verwordt steeds meer tot het tegendeel. Niet langer de burgers, maar de zuilen en allerhande pressie- en belangengroepen beslissen wie er zal regeren en hoe. Daarbij staat het algemeen belang al lang niet meer voorop, maar wel het vergaren van zoveel mogelijk materiële voordelen voor zichzelf en de eigen achterban. Aan het einde van deze eeuw is onze democratie niet meer dan een slagveld van tegen elkaar opbotsende groepsbelangen en houdt niemand zich nog bezig met het uitstippelen, laat staan het verwezenlijken, van een gezamenlijke aanpak van de maatschappelijke problemen. Het algemeen belang is van geen tel meer. Het belang van de eigen groep primeert: het belang van de werkgevers, dat van de werknemers, van de middenstanders, de landbouwers, de ambtenaren, de onderwijzers, de welzijnswerkers, de steuntrekkers en noem maar op. Er komen steeds nieuwe groepen met eigen, egoïstische belangen bij. Nieuw is de groep van de ouderen, van de brug- en andere gepensioneerden, die er terecht van uitgaan dat ze op hun oude dag op de hulp van de gemeenschap moeten kunnen rekenen (2). Morgen wordt er misschien een groep opgericht door jongeren of actieven, die thans sociale bijdragen betalen en vrezen dat de kas voor hen later onherroepelijk leeg zal zijn.

Onze democratie doet op dit moment denken aan het corporatisme uit de nadagen van het Ancien Régime. Ze wordt niet gekenmerkt door rust, maar door strijd. Strijd tussen groepen. Strijd tussen generaties. Strijd ter vrijwaring van de eigen voorrechten en voordelen. Zoals gezegd, niet langer het algemeen belang telt, maar vragen als: krijg ik méér pensioen, ook al is de kas leeg? Krijg ik later stempelgeld, ook al zoek ik geen job? Krijg ik overheidssubsidies, ook al creëer ik geen werkgelegenheid? Krijgen we quota's en vaste prijzen, ook al is er overproduktie? Komt er een vestigingswet, ook al staan er rijen werkloze afgestudeerden in het stempellokaal? Alleen dit soort van "egoïstische" en soms bijna absurde vragen en bekommernissen lijkt nog van tel. Ik denk in dit verband onder meer aan een vereniging van caféhouders die onlangs tevergeefs mijn steun kwam vragen voor haar voorstel ter invoering van een "numerus clausus" voor dit beroep.

In onze hedendaagse democratie heeft kortzichtigheid de bovenhand gehaald op het lange-termijndenken. Ieder denkt aan de dag van morgen, maar niemand bekommert zich om de toekomst. De échte vragen, de vragen die voor de toekomst van belang zijn, worden niet meer gesteld. Daartoe behoren vragen als: kunnen we morgen nog pensioenen uitbetalen? Hoe gaan we de enorme kosten opvangen die het gevolg zijn van de toenemende vergrijzing van de bevolking? Moeten we daartoe het pensioenstelsel niet grondig hervormen? Moet het gezin niet opnieuw een grotere rol toebedeeld krijgen? Hoe creëren we bijkomende werkgelegenheid en hoe zorgen we ervoor dat ook de komende generaties werk hebben? Kan een samenleving met steeds meer uitkeringsgerechtigden en andere vormen van steuntrekkers en steeds minder produktieven die uitdaging wel aan? Moet die verhouding niet resoluut worden omgebogen en, zo ja, hoe doen we dat? Hoe zorgen we voor een blijvend gezond milieu? Hoe pakken we het drugsprobleem en de toenemende criminaliteit aan? Hoe kijken we tegen de migratiestromen aan: zijn ze een verrijking of een bedreiging? En hoe zit het met de rol van de staat: houden we vast aan een bureaucratische overheid met veel regelgeving en veel controle, waarop de burger met fraude en ontwijking reageert? Of pogen we een nieuw bestuurlijk concept ingang te doen vinden waarbij de overheid prikkelt en stimuleert in plaats van gebiedt en bestraft? Op al die vragen, die voor de toekomst van wezenlijk belang zijn, geeft onze ontspoorde democratie allang geen antwoord meer. Ze is te zeer begaan met andere zaken om die essentiële vragen nog te kunnen zien.

Wie echter scherp toeziet komt tot de vaststelling dat de hedendaagse politiek wordt beheerst door afgunst en angst. Men is afgunstig op zijn buur en staat angstig tegenover al wat vreemd is en tegenover al wie anders is. De afgunst vormt de voedingsbodem van het groepsegoïsme waarop thans bijna alle politieke partijen teren. De ene partij verdedigt de boeren, de andere de steuntrekkers, een derde de zelfstandigen, een vierde de milieu-activisten, een vijfde de gepensioneerden en zo kan je nog een poosje doorgaan. De angst voor het vreemde en voor wie anders is, vormt dan weer de voedingsbodem van het racisme en de xenofobie, waarop vooral de extremistische en antipolitieke partijen steunen. Afgunst en angst zijn geen oppervlakkige gevoelens, maar uitingen van diepe instincten. En het is niet goed wanneer een democratisch bestel door instincten wordt bepaald. Instincten maken immers deel uit van onze "primitieve" natuur. De democratie daarentegen behoort tot het domein van de beschaving. Een democratie is dan ook alleen maar die naam waardig als haar basis, om met Alexis de Tocqueville te spreken, berust op weloverwogen redelijkheid, en niet op primitieve gevoelens.

In een democratie die door gevoelens van afgunst en angst wordt gestuurd, primeert alom het eigenbelang. Enkel wanneer de democratie berust op weloverwogen redelijkheid, kan er een gezamenlijk algemeen belang worden nagestreefd. Dankzij de rede kan immers het groepsegoïsme en de angst voor het vreemde worden overstegen en zien we in dat er in de samenleving, naast de honderden al dan niet gerechtvaardigde groepsbelangen, ook zoiets als het algemeen belang bestaat.

Ik geef toe dat ik tot voor kort heel achterdochtig en wantrouwig stond tegenover een begrip als "algemeen belang". Het leek me een vaag, inhoudsloos, ja zelfs zinloos begrip, dat voortdurend en op uiteenlopende wijzen werd gebruikt en misbruikt. Onder de mantel van het "algemeen belang" ging volgens mij decennialang maar al te vaak groepsbelang of een eigenbelang schuil, dat zijn ware gezicht niet wou tonen. In naam van het algemeen belang werden communautaire, ideologische, school- en cultuurpacten gesloten, die ons land hebben opgezadeld met de hoogste overheidsschuld in de hele wereld. Dat is erg, maar veel erger is dat in de loop van deze eeuw het begrip werd misbruikt om terreur en ellende goed te praten. Iedere ideologie, ongeacht of ze nu links of rechts was georiënteerd, heeft het "algemeen belang" gebruikt ter rechtvaardiging van misdaden die behoren tot de grootste uit de geschiedenis van de mensheid.

Toen in 1989, op de kop af tweehonderd jaar na de Franse revolutie, de Berlijnse muur werd neergehaald en samen met de muur bepaalde ideologieën verdwenen, was ik verrukt. Voortaan geen socialisme, communisme en fascisme meer, dacht ik. Gedaan met de goelags. Gedaan ook met dat onzalige en valse begrip "algemeen belang". Nu zouden we de échte democratie herontdekken, meende ik, de democratie van de burger, zonder gezanik over gemeenschap of algemeen belang. Van nu af zou niemand anders dan de burger het maatschappelijk doel en de na te streven belangen bepalen. Zo eenvoudig leek het toen. In de praktijk bleek echter dat de burger, de vierjaarlijkse parlementsverkiezingen en de zesjaarlijkse gemeenteraadsverkiezingen niet te na gesproken, geen middelen, instrumenten of kanalen ter beschikking had om dat te doen en bijgevolg de politieke gang van zaken niet wezenlijk kon beïnvloeden. De leegte die na de verdwijning van bepaalde ideologieën was ontstaan, werd dus niet, zoals wij hadden verhoopt, ingevuld door vrije, volwassen en politiek mondige burgers. Zij werd daarentegen razend snel ingenomen door meer irrationele krachten, zoals racisme, nationalisme en vooral ook door het ook vroeger al bestaande groepsegoïsme (3).

Ik sta sindsdien anders tegenover het begrip "algemeen belang". In de jaren na 1989 is het mij stilaan duidelijk geworden dat de échte democratie het groepsegoïsme en de xenofobe instincten enkel kan overstijgen als er een "algemeen belang" wordt omschreven en nagestreefd. Ik zou er in dit verband nogmaals uitdrukkelijk op willen wijzen dat bij het ontbreken van zo'n "gemeenschappelijk belang", de democratie door gevoelens van afgunst en angst, door groepsegoïsme en xenofobie wordt gestuurd. En dat laatste is de situatie waarin we ons thans bevinden, getuige de verkiezingsuitslagen van 24 november 1991 en 12 juni 1994. Geen enkele politieke partij streeft nog het algemeen belang na. Geen enkele partij heeft er nog een visie op. Geen enkele politicus spreekt er nog over of neemt het begrip nog in de mond. De politicus houdt nog enkel rekening met de wijze waarop zijn achterban, zijn partij of de pressiegroep die hem heeft gesteund, op zijn daden en voorstellen zal reageren. Zou de Boerenbond hiermee akkoord gaan? Zou Peirens het hiermee eens zijn? Wat zou Tony Vandeputte hiervan denken? Zullen we de middenstandsorganisaties niet tegen ons in het harnas jagen? Dat zijn de enige vragen die zowel de traditionele als de meeste andere partijen zich thans nog stellen, opgejaagd als ze worden door het verzuilde middenveld waaraan ze hun macht ontlenen.

Aan het einde van de twintigste eeuw heeft onze democratie dringend nood aan een nieuwe visie op en een nieuwe invulling van het begrip "algemeen belang". Die visie mag niet oubollig zijn, maar integendeel modern en dynamisch, en moet terdege rekening houden met de maatschappij van de eenentwintigste eeuw. Zonder zo'n visie kan onze democratie niet werken, mogelijk zelfs niet overleven.

Onze opdracht bestaat eruit die nieuwe, moderne visie op de maatschappij van morgen te ontwikkelen en dat tegen het heersende groepsegoïsme en racisme in, hoe electoraal lonend beide thans ook mogen zijn. Dat is de bedoeling en de bestaansreden van de nieuwe partij die we op 15 november 1992 hebben gesticht. Aan die visie hebben we, hoe onvolkomen ook, sinds de oprichting van de partij gewerkt en we zullen er in de toekomst aan blijven werken.

Normaal lettertype Groter lettertype Extra groot lettertype
burgermanifest.be
openvld-lila.be
OpenTube.be
Rapport Van Mechelen
Word Lid
Liberale lijn in Regeerakkoord
Bezoek de Brainlane website