De sociale mythe

“Als we de wereld niet opnieuw in het ongeluk willen storten, moeten we onze dromen over het gelukkig maken van de wereld opgeven. Maar we moeten desondanks toch wereld-verbeteraars blijven – maar bescheiden wereldverbeteraars. We moeten ons tevreden stellen met de nooit eindigende taak het lijden te verminderen, vermijdbaar kwaad te bestrijden, misstanden op te ruimen; en daarbij moeten we steeds de ogen open houden voor de onvermijdelijke ongewilde gevolgen van ons ingrijpen, die we nooit geheel kunnen voorzien en die maar al te vaak de balans van onze verbeteringen passief doet staan.”
Karl R. Popper, De armoede van het historicisme.
Er is geen woord dat vandaag meer te pas en te onpas wordt gebruikt dan "sociaal". Sociaal zijn de kommunisten, de socialisten, de kristen-demokraten, de grote vakbonden, de mutualiteiten. Asociaal of ronduit anti-sociaal zijn al diegenen die niet tot één van deze kategorieën of organisaties behoren. Sociaal zijn de staatsinterventies, de uitkeringen, de overheidsbedrijven, de belastingen. Asociaal is al wie of wat hierin verandering wil brengen. Sociaal zijn zij die de mensen zekerheid willen verschaffen, ook al blijkt het achteraf maar een valse zekerheid te zijn, asociaal zij, die meer vrijheid en meer verantwoordelijkheid betrachten. Decennia lang heeft men ons zelfs willen laten geloven, dat sociaal en progressief die systemen waren, die de bevolking in werkelijkheid de grootste terugval hebben bezorgd, terwijl als sociaal regressief en zelfs reaktionair dat stelsel werd bestempeld dat ons de jongste veertig jaar de grootste sociaal-kulturele emancipatie heeft bezorgd. Van die leugen zijn we sinds de implosie van de socialistische regimes in Oost-Europa definitief genezen. Maar de myte, dat alles waar de staat en zijn parasieten ons toe dwingen sociaal zou zijn, en de tegenstrevers van deze toestand niet, die myte blijft hardnekkig voortleven.

De feiten kunnen nochtans niet geloochend worden. Van een werkelijk sociaal beleid, van echte solidariteit kan vandaag nauwelijks sprake zijn. Het is eerder een valse solidariteit. Onze bevolking besteedt elk jaar niet minder dan 1300 miljard aan sociale prestaties, maar nog steeds leven tienduizenden mensen in mensonwaardige omstandigheden, in verkrotte woningen, met schamele bestaansminima, zonder scholing, zonder opleiding. In godsnaam, hoe kan zoiets? Hoe kan het dat wij ieder jaar meer dan duizend miljard aan sociale zekerheid besteden, zonder dat zij die het meest hulpbehoevend zijn daadwerkelijk geholpen worden? Hoe kan het dat we ieder jaar meerdere honderden miljarden in het onderwijs stoppen en het analfabetisme nog toeneemt? Waar ligt de oorzaak voor dit falen?

De oorzaak ligt in de obsessie van de drukkingsgroepen en de grote "sociale" organizaties, de egalitaire obsessie om de burger, arm of rijk, of hij het wil of niet, of hij het nodig heeft of niet, te begeleiden van de wieg tot het graf. Iedereen moet in het systeem dat zij beheren, worden ingekapseld. Iedereen moet er, of hij het nu nodig heeft of niet, of hij het wil of niet, in dezelfde mate van genieten. Iedereen moet er ook voor betalen, want in weerwil van de illuzie die men koestert, zijn onze sociale voorzieningen niet gratis en niet kosteloos. Iedereen moet er zijn hele aktieve leven aan bijdragen, zelfs zonder recht op een juste retour. In feite is ons sociaal zekerheidssysteem één grote grabbelton waar vooral de midden- en hogere inkomensgroepen hun (verplichte) bijdrage ingooien, maar ze er achteraf weer vlot kunnen uithalen. Dat is het zogenaamde Mattheus-effekt, dat meebrengt dat er uiteindelijk veel te weinig overblijft om de echte behoeftigen, de zogenaamde vierde wereld, daadwerkelijk ter hulp te komen .

Bovendien raken de echte behoeftigen niet over de bureaukratische en reglementaire hindernissen die de toegang tot de sociale voorzieningen versperren. Uiteindelijk zijn de enige winnaars de zuilen en hun instellingen die in het systeem optreden als verdelingsinstituten. Jaarlijks kennen ze zichzelf tientallen miljarden zogenaamde beheerskosten toe, waardoor ze zijn uitgegroeid tot grote ondernemingen met financiële belangen in bijna alle sektoren van de samenleving. Hun macht en hun invloed op het leven van de mensen is daardoor zo mogelijk nog groter geworden dan deze van de staat en de administratie.

Met solidariteit heeft dit alles niets meer te maken, hoewel het nog zo wordt verkocht. Dat levert voor de zuilen en hun organizaties het onschatbare voordeel op dat wie ook maar één aspekt van dat beleid en dus van hun machtspositie in vraag stelt, er meteen van kan beschuldigd worden niet sociaal of niet solidair te zijn. De mensen hebben het echter stilaan door. Zij geloven niet meer in een solidariteit die op zo'n evidente wijze haar doel blijft missen . Zij zien ook de verpaupering en de verkrotting. Zij kennen zelf in hun buurt of in hun straat mensen die in nood leven, die het met minder dan niets moeten stellen, terwijl anderen, die het niet nodig hebben, royaal van de sociale zekerheid of van de werkloosheidsuitkeringen genieten. Hoeft het dan te verwonderen dat de mensen steeds minder en minder bereid zijn voor die eenzijdig opgelegde solidariteit, die zo onwaarachtig blijkt te zijn, te betalen? Net zoals ze maar al te graag in de bres springen als er om échte hulp wordt gevraagd. Er is nergens een land ter wereld waar de burger zo gul in zijn portemonnee tast om akties met veel menselijke inzet als "11.11.11", "Artsen zonder grenzen", "Kom op tegen kanker" of "Levenslijn" te spijzen. Dan worden ettelijke honderden miljoenen opgehaald, het ene rekord na het andere gebroken. Dat de vierde wereld bestaat en zich uitbreidt, is derhalve niet de schuld van een zelfzuchtige bevolking, maar van een ontspoord sociaal-politiek systeem.

Dus is ook hier een radikale ommekeer nodig, waarbij de sociale myte die rond onze verzorgingsstaat zweeft doorprikt wordt. Een ommekeer, waarbij het eigenbelang van de zuilen en hun organizaties zal moeten wijken voor de problemen van de zwakste mensen in onze samenleving en waarbij alle inspanningen en alle beschikbare middelen juist worden gekoncentreerd op al wie onderaan de maatschappelijke ladder is beland. De vader die door de drank zijn werk verloor en het nu moet rooien met een schamel bestaansminimum van nauwelijks twintigduizend frank. De steuntrekker die in een verkrot huis woont en geen sociaal appartement kan vinden bij gebrek aan de goede partij- of vakbondskaart. De gescheiden vrouw met een of twee kinderen die de ene maand wel, de volgende maand weer geen onderhoudsgeld ontvangt. De weduwe die moet leven met een klein pensioen van amper veertien- of vijftienduizend frank. De zwaar gehandikapte vader of moeder die hun laatste jaren bij de dochter in de achterkeuken slijt. De demente bejaarde die in een of ander desolaat rustoord huist. De jonge arbeider die door onvoldoende scholing of door een andere omstandigheid nergens aan de bak komt. De lijst van al dat leed dat zich achter de gevels van Vlaanderen verbergt, is eindeloos. Dat verborgen leed moet resoluut worden aangepakt.

Een grote konkrete solidariteit met de zwakkeren en het opleggen van een grotere persoonlijke verantwoordelijkheid aan de sterkste medeburgers: ziedaar de twee radikale ingrepen die de armoede definitief uit onze samenleving moeten bannen. Aan de zwakkeren moet, in plaats van een aalmoes zoals dat nu het geval is, een volwaardig inkomen ter hand wordt gesteld. Dat inkomen moet voldoende hoog zijn om in menswaardige omstandigheden te kunnen leven, ook kultureel. Anderzijds moeten diegenen die over een voldoende inkomen en vermogen beschikken zelf meer hun persoonlijke verantwoordelijkheid opnemen. Aan hen moet gevraagd worden zelf in te staan voor hun pensioen of ziekteverzekering door rechtstreeks een polis af te sluiten met een pensioenfonds, een gemeenschappelijke verzeringskas of een mutualiteit. Aan de zwakkeren in onze samenleving die een onvoldoende inkomen hebben om zulke kontrakten aan te gaan, moet de overheid een woon-, gezondheids- of pensioenkrediet toekennen. Bijspringen in de huurprijs, de ziekteverzekeringspremie of pensioenbijdrage die aan het fonds, de verzekeringskas of de mutualiteit van zijn keuze moet worden afgedragen.

Een reëel sociaal beleid voeren en de armoede bannen uit onze samenleving, vergt dus niet dat de overheid zelf sociale voorzieningen organizeert of sociale kazernes bouwt, maar wel dat de overheid erover waakt en er zorg voor draagt dat de zwaksten de middelen in handen krijgen om zelf de elementaire voorzieningen te kunnen aanschaffen. Uiteraard geldt dit niet voor die mensen die niet meer voor zichzelf kunnen zorgen of een intensieve begeleiding nodig hebben, maar een écht sociaal beleid mag de zwakkere niet duwen in een staat van onderdanigheid en afhankelijkheid, maar moet hem het geld, de hulp en de mogelijkheid geven zich te verheffen, de maatschappelijke ladder opnieuw te bestijgen.

Een reëel sociaal beleid voeren, betekent ook dat het gebrek aan verantwoordelijkheid van sommigen niet zomaar op de gemeenschap kan worden afgewenteld. Een man die er met een andere vrouw van doorgaat, behoudt een financiële plicht ten opzichte van zijn kinderen en ook tegenover zijn echtgenote wanneer die zonder inkomen valt. Dat de gemeenschap een sociaal beleid voert, houdt geenszins in dat men zijn eigen verantwoordelijkheid kan ontvluchten of zijn plicht kan afkopen.

Een écht sociaal beleid tenslotte zal ook meer oog moeten hebben voor de alsmaar groter wordende groep van ouderen, de tienduizenden geestelijk achterop geraakte bejaarden, de honderdduizenden hulpbehoevende gepensioneerden, verspreid, voor zover ze thuis niet meer kunnen verzorgd worden, over honderden rust- en verzorgingsinstellingen. Net zoals er ook meer aandacht zal moeten besteed worden aan hen die zich dag in dag uit met de zieken, de bejaarden, de mentaal en fysiek gehandikapten bezighouden. De lonen die vandaag worden uitbetaald aan mensen die hun leven wijden aan het bijstaan en verzorgen van vooral ouderen waar nog nauwelijks door het gezin of de familie naar omgekeken wordt, zijn een samenleving die zich vooruitstrevend noemt onwaardig. Die lonen moeten omhoog en het daartoe nodige geld kan gevonden worden door grondig te snoeien in de strukturen en de organizaties. Heeft het nog zin dat de vakbonden de werkloosheidsuitkeringen uitbetalen? Kan dit niet rechtstreeks? Welk nut hebben de talloze kassen die zich inlaten met de uitbetaling van het jaarlijks vakantiegeld? Kan de werkgever dit niet veel beter zelf storten, want het gaat toch gewoon om een stuk van het loon? Waarom behoeven we tientallen kinderbijslagfondsen? Moeten de mutualiteiten geldverslindende tussenschakels blijven tussen de staat en de zorgenverstrekkers? Waarom ze niet omvormen tot échte sociale verzekeringskassen die zelfstandig zouden zijn en financiële verantwoordelijkheid dragen? Zij zouden bij hun aangeslotenen zelf de gezondheidspremies innen en met de opbrengst hiervan instaan voor het dekken van alle uitgaven. Dat is de enige manier om te verhinderen dat de gezondheidszorgen en de ziekteverzekering nog verder van alle kanten worden geplunderd, uiteindelijk ten nadele van de zieken en van al wie echt zorgen behoeven.

Normaal lettertype Groter lettertype Extra groot lettertype
burgermanifest.be
openvld-lila.be
OpenTube.be
Rapport Van Mechelen
Word Lid
Liberale lijn in Regeerakkoord
Bezoek de Brainlane website