De evaluatie
Het Eerste Burgermanifest
Het Tweede Burgermanifest
Het Derde Burgermanifest
“Ergens ter wereld bestaan nog volken en kudden, doch niet bij ons, mijne broeders: hier vindt men staten.
Staat? Wat is dat? Welaan! Zet nu uw oren open, want thans zeg ik u mijn woord over de dood der volken.
Staat beduidt het koudste van alle monsters. Koud is ook zijn leugen; en deze leugen kruipt hem uit de mond: "Ik, de staat, ben het volk"”
. Zo gezien is federalisme een wezenlijk onderdeel van de liberale demokratie.
Ongetwijfeld zijn er meerdere oorzaken voor het falen van de staatshervorming. Maar de belangrijkste reden moet zeker gezocht worden bij de oorspronkelijke uitgangspunten zoals die in 1970 werden vastgelegd door de zogenaamde werkgroep van de 28. De toestand die toen werd geschapen, waarbij drie gemeenschappen (de Vlaamse, Franstalige en Duitstalige gemeenschap), drie gewesten (Vlaanderen, Brussel, Wallonië) en vier taalgebieden (het Nederlandstalige, Franstalige, Duitstalige en tweetalige taalgebied) tot stand werden gebracht, is een onhoudbare konstruktie gebleken
. Om nog maar te zwijgen van de faciliteitengemeenten, de problemen in Komen, Voeren en noem maar op. Nergens ter wereld bestaat er een federale staat waarvan, zoals dat in België het geval is, de territoria van de deelgebieden elkaar overlappen. Tenzij in Joegoslavië misschien, met het gevolg dat we kennen.
De hervorming van onze instellingen moet radikaal worden overgedaan en totaal anders worden aangepakt. In plaats van steeds maar nieuwe kommunautaire kompromissen te bedenken naar aanleiding van de vorming van een of andere regering, waarbij we verder bouwen op de manke instellingen waar we sedert 1970 mee zitten, moet er een geheel nieuwe staatshervorming komen. In plaats van van bovenaf bevoegdheden, instellingen en administratieve overheden steeds verder op te splitsen, moeten de beide grote gemeenschappen in ons land aan tafel gaan zitten, nagaan wat ze met elkaar nog willen doen en hoe. M.a.w. een échte federale staat moet van onderuit worden opgebouwd, van de basis af. En dat in tegenstelling tot het zogenaamde unionistisch federalisme, dat de jongste twintig jaar als uitgangspunt gold. Het "unionistisch federalisme" is niets anders dan een herverkaveling van de macht tussen de kristen-demokratische zuil in het noorden en het socialistische bolwerk in het zuiden van het land, een machtsverkaveling die van bovenuit werd gedikteerd en waarbij het jakobijnse centralisme van de oude Belgische staat gewoon werd overgepland op de nieuwe instellingen die sinds 1970 met zo veel ijver werden opgericht.
Een echte, autentieke, doorzichtige federale staat houdt in dat eerst maksimale autonomie wordt toegestaan aan het bestuursniveau dat het dichtst bij de burgers aanleunt: de steden en gemeenten. Vervolgens aan de gemeenschappen, de deelgebieden van dit land. En tenslotte aan de federale overheid. De federale staat moet slechts op zich nemen wat de overige niveaus samen beslist hebben om over te dragen, defensie en justitie bijvoorbeeld, of het organiseren van een doorzichtige en omkeerbare solidariteit. Op die wijze wordt een "federalisme van samenwerking" op gang gebracht in plaats van een "federalisme van splitsing, scheuring en konfrontatie", zoals nu met het zogenaamde unionistische federalisme het geval is. Ook de rol van de provincies moet in dat kader radikaal worden herzien. In plaats van het zoveelste, overbodige bestuursniveau met zijn eigen belastingen, instellingen, scholen en wegen in stand te houden, moeten zij worden omgevormd tot vrijwillige samenwerkingsverbanden, federaties tussen steden en gemeenten die taken op zich nemen die samen beter en efficiënter kunnen worden beheerd.
Een echte, autentieke, doorzichtige federale staat betekent ook dat elk bestuursniveau zijn eigen inkomsten int en zijn deel van de schuld draagt. Er kan niet langer sprake zijn van dotaties, toegewezen inkomsten of te ristorneren belastingen, zoals nu gebruikelijk is. In een échte federale staat beheert elk van de bestuursniveaus zelf zijn eigen belastingmateries. De steden en gemeenten heffen belastingen, op de onroerende goederen bijvoorbeeld, de deelgebieden op de personen en de vennootschappen. Naar de federale overheid kan de verbruiksbelasting gaan. Elk bestuursniveau bepaalt daarbij zelf wat de belastbare basis is en welke de tarieven zijn. Van fiskale konkurrentie tussen steden of tussen deelgebieden moeten we geen schrik hebben. Die konkurrentie is juist de beste garantie dat de bestuurders matig zullen blijven in hun belastings- en reglementeringsneigingen. In dat kader moeten de deelgebieden ook een gedeelte van de openbare schuld dragen. Het is volkomen onlogisch dat een bestuursniveau eigen bevoegdheden uitoefent en eigen inkomsten heeft, zonder een gedeelte van de openbare schuld te beheren. Onvermijdelijk leidt dit tot nieuwe schuldenbergen bovenop de torenhoge Belgische overheidsschuld die de jongste jaren werd opgestapeld. Uiteindelijk is de federalizering van een deel van de overheidsschuld het énige doeltreffende middel om iedereen in dit land, zowel in het noorden als in het zuiden, tot een zuinig beheer te verplichten in plaats van verder te teren op ongeoorloofde transferten of het uitmelken van de centrale staat.
Een echte, autentieke, doorzichtige federale staat tenslotte maakt elk van de deelgebieden bevoegd voor een goed afgebakend en wel omlijnd grondgebied. In dat verband dringt zich de vraag op of in plaats van de elkaar overlappende gemeenschappen, gewesten en taalgebieden, we niet beter zouden streven naar vier duidelijk afgescheiden, deelgebieden: Vlaanderen, Wallonië, Brussel-hoofdstad en het Duitstalige deelgebied, waarbij de faciliteiten definitief zouden verdwijnen en grondwettelijk zou worden gewaarborgd dat Brussel bestuurd en vertegenwoordigd zou worden door zowel Vlamingen als Franstaligen, waarbij de Vlamingen verder de zekerheid zouden verkrijgen om zelf, zonder inmenging van de Franstaligen, hun scholen, ziekenhuizen en kultuurcentra te beheren en uit te bouwen.
Uiteindelijk heeft België nood aan een kollege van integere en onafhankelijke konstitutionalisten. Een groep die, net als in 1830 en na het herzienbaar verklaren van alle artikelen van onze huidige Grondwet, er een nieuwe zou schrijven. Alleen met zo'n radikale aanpak is het mogelijk een eenvoudig en doorzichtig federaal België tot stand te brengen. Het alternatief is het wanordelijk uiteenvallen van het land. Het ogenblik waarop dit dreigt te gebeuren, is misschien niet zo ver meer af. Het volstaat dat één onverantwoordelijke Waalse politicus of één Brussels nationaal minister nog éénmaal zijn zogenaamde institutionele atoombom bovenhaalt, m.a.w. er nog éénmaal mee dreigt om eigenmachtig, onder Franstaligen, beslissingen te nemen die flagrant in strijd zijn met de Grondwet en de wetten van dit land, opdat in Vlaanderen een meerderheid zou gevonden worden om de Belgische staat definitief op te geven. Niet één op tien Vlamingen wil België zien verdwijnen, maar nog eens een kaakslag moeten verduren zoals ten tijde van de oprichting van de ongrondwettelijke wapenkomités, is een vernedering die negen op tien Vlamingen niet meer zullen slikken.
Vlaanderen eigen, autonome instellingen verschaffen in een Belgisch staatsverband is een kleine stap binnen een bredere internationale ontwikkeling. L'Etat-Nation, de staat zoals die ontstond in het begin van de 19de eeuw, gekoncipieerd door diplomaten op internationale konferenties in Wenen of Londen, de staat die met belastingen en dienstplicht legers liet aanrukken en oorlogen ontketende, die staat is dood
. Naties spatten uit elkaar zoals in het geval van de Baltische republieken, worden opnieuw samengevoegd zoals bij de Duitse eenmaking of worden omgevormd tot internationale koöperatieve verbanden zoals het GOS, het Gemenebest van Onafhankelijke Staten in de voormalige Sovjet-Unie. Regio's en volkeren worden sinds Maastricht ook erkend binnen de Europese Gemeenschap.
Eén kenmerk hebben al die ontwikkelingen gemeen. De volkeren en de mensen die er deel van uitmaken, richten opnieuw het hoofd op, nu eens niet uit heerszucht, maar uit zelfbehoud. De heropstanding van de vele volksgemeenschappen op ons oude Europese kontinent, dat herboren nationalisme is ditmaal geen duistere of irrationele kracht. Wanneer ze gekoppeld wordt aan de beginselen van de liberale demokratie en meer bepaald aan de grondwettelijke vergrendeling van de elementaire rechten en vrijheden van het individu, levert ze integendeel een bevrijdende energie
.
Aan de hand daarvan kunnen wij ook weerstand bieden tegen de zich snel uitzaaiende Eurokratie. Laten wij niet vergeten dat dank zij deze kracht in Oost-Europa ook na jarenlange totalitaire overheersing de herinnering bewaard kon blijven aan de samenleving van voordien en aan de eigen identiteit. Het is die herinnering die het bijvoorbeeld mogelijk maakte dat vrij vlug na de val van de Berlijnse Muur de kommunistische strukturen konden worden opgedoekt en we in de meeste Oosteuropese landen de wedergeboorte zagen van de burger en zijn gemeenschap (de politieke partijen, verboden sinds de kommunistische overheersing, de Kerk, de kleine en middelgrote ondernemingen, de private landbouw daar waar die werd gekollektiviseerd)
.











