De evaluatie
Het Eerste Burgermanifest
Het Tweede Burgermanifest
Het Derde Burgermanifest
“Grove fouten van de heersende groep, veel verkeerde wetten die overlast bezorgen en alle blunders waartoe de menselijke zwakheid kan leiden zal het volk verdragen zonder muiterij of gemor.
Maar indien een lange reeks misbruiken, draaierijen en listen die alle in dezelfde richting wijzen het volk duidelijk maakt wat de opzet is, en de mensen wel moeten voelen waaronder zij gebukt gaan en zien waar het heengaat, is het niet verwonderlijk dat zij in aktie komen.”
Het lamentabele beleid van de afgelopen jaren was er ongetwijfeld één van. Een regering zonder leiding, zonder gezag, zonder visie, die van het ene incident in het andere tuimelde en dat dan nog probeerde te verbergen. Ruziemakende ministers, kibbelende staatssekretarissen, ondoorzichtig gedoe rond de staatshervorming, schendingen van de grondwet. Een minister van Binnenlandse zaken die verklaart dat we in een apenland leven, een minister van Buitenlandse Zaken die België vergelijkt met een kippehok. Hoeft het te verwonderen dat de burger zich afkeert van de politiek? Ofwel gebruik je je macht als minister om er iets aan te doen, ofwel stap je op.
Het lamentabele beleid zoals we dat de voorbije jaren hebben meegemaakt, was zonder voorgaande. Dat verklaart wellicht veel, maar niet alles. Het heeft ongetwijfeld de afkeer tegenover de politiek versneld, dat wel. Het is zeker de aanleiding geweest voor de politieke schok van 24 november, maar het is niet de dieper liggende oorzaak. De afkeer voor de politieke demokratie en voor wat nogal gemakkelijk de traditionele partijen wordt genoemd, doet zich trouwens ook voor in vele andere landen, landen die de jongste jaren niet af te rekenen hadden met een schijnheilig kibbelende kabinetsploeg. De lage opkomst bij de jongste statenverkiezingen in Nederland, de winst van groenen en ekstreem-rechts bij bij de regionale verkiezingen in Frankrijk, de vooruitgang ondanks de kiesdrempel van ekstreem-rechts bij verschillende deelstaatverkiezingen in Duitsland en bij de gemeenteraadsverkiezingen in Berlijn, de suksesvolle opkomst van de liga's in het noorden van Italië. Het verraadt een diepe stroming van ongenoegen en ontgoocheling.
Ook het aantal nieuwe partijen in vele Europese landen is niet meer bij te houden. Ekstreem-rechtse partijen, Groen, partij van astrologen, partij van de liefde, partij van de ontblote boezems en noem maar op. Alleen Groot-Brittanië, de bakermat van de demokratie ontsnapt er aan. Wat er ook van zij, er is iets meer fundamenteel aan de hand, er is een dieper liggende oorzaak, waarom de burger afhaakt, waarom de burger zo gretig inpikt op partijen die de politiek – en wat nog veel erger is – de demokratie wil ridikuliseren.
De voornaamste reden voor het afhaken van de burger, is ongetwijfeld het verdwijnen van de klassieke ideologische diskussie. De totalitaire ideologieën, fascisme en kommunisme, verantwoordelijk voor de meest moorddadige eeuw die de mensheid ooit heeft gekend, zijn verzwonden. Deze suicidaire ideologieën, deze profetieën van de "nieuwe mens" wilden de burger een nieuwe identiteit geven, de menselijke ziel kneden naar een nieuw model. Een waanzinnige ambitie
en een ramp voor de mensheid. Tientallen miljoenen doden, de verschrikkelijkste terreur, een immens lijden. Van Auschwitz over de Goelag-archipel tot de killing fields in Cambodja. Karl Raimond Popper noemt het de schuld van de menselijke overmoed, "de overmoed, die ons doet proberen om het hemelrijk op aarde te brengen, en er ons toe leidt om onze goede aarde in een hel te veranderen – een hel, zoals alleen mensen die voor hun medemensen kunnen doen ontstaan"
.
Ook de "zachtere" vormen van de totalitaire ideologieën, het socialisme en het rechtse autoritarisme werden teruggedrongen. En dat gebeurde lang vòòr de val van de muur van Berlijn. In de jaren zeventig maakten we de overwinning mee van de demokratie in Portugal, Spanje, Griekenland en Turkije. In het begin van de jaren tachtig was er de demokratisering in Peru, Argentinië, Uruguay en later Chili, Nicaragua, de Filipijnen en Zuid-Korea. Daarna volgde de val van het kommunisme in Oost-Duitsland, Tsjechoslovakije, Hongarije, Polen, Albanië, Joegoslavië en de Sovjet-Unie. De ontwikkeling gaat zo snel, dat men zelfs spreekt van "het einde van de geschiedenis", "het eindpunt van de ideologische ontwikkeling van de mensheid" en "de definitieve overwinning van de liberale demokratie op haar ideologische rivalen"
. Daarbij wordt al te snel vergeten dat er bij het begin van de jaren negentig nog steeds twee miljard mensen leven in landen met totalitaire regimes. In Birma, Madagaskar, Irak, Iran, Burundi,
Rwanda, Zaïre, Soedan, Libië, Algerije, Cuba, Noord-Korea, Vietnam, Angola, Mozambique, opnieuw Peru en niet te vergeten China zowel voor als na Tien-An-Men. Voor die twee miljard mensen gaat de "geschiedenis", gaat de terreur gewoon verder. Maar dat kan de euforie niet temperen. Na het pessimisme van de voorbije eeuw, de twee wereldoorlogen, de massale vernietiging van mensen en volkeren is het een hemelse verademing om nu de totalitaire regimes één voor één te zien instorten en telkens de overwinning te begroeten van de liberale demokratie.
Hoe kon dit alles zo snel? Van waar die plotse ommekeer? Tot voor enkele jaren leek het er nog op alsof het kommunisme en het socialisme zich definitief in het wereldgebeuren hadden genesteld. Sinds Jalta regeerden de KP's ongestoord over Oost-Europa. Vele derde wereldlanden bekeerden zich tot het socialisme. En de westerse demokratieën hadden sinds het begin van de jaren zeventig af te rekenen met hun zoveelste ekonomische recessie. Van waar dan die abrupte verandering?
De implosie die zich de jongste jaren heeft voorgedaan, is het resultaat van drie fenomenen. Het eerste is het meest zichtbare: het ekonomische failliet van het kommunistische systeem. De eksperimenten in de Sovjet-Unie, China en de andere socialistische landen hebben aangetoond dat geplanifieerde ekonomieën misschien in staat zijn om het industriële niveau van Europa in de jaren vijftig te bereiken. maar ook dat ze totaal ongeschikt zijn om een moderne, wat men is gaan noemen een post-industriële samenleving op te bouwen, een "beschaving" waarin informatie en technologische innovatie een belangrijke rol spelen. Het tweede fenomeen is ongetwijfeld de enorme kentering geweest die zich in de derde wereld heeft voltrokken. Vele ontwikkelingslanden, en dit in tegenstelling tot de wens van niet weinig intellektuele elites in Europa en Noord-Amerika, hebben het zogenaamde derde wereld-socialisme afgezworen. Ze vragen vandaag om kapitalisme en demokratie als hefboom om uit de onderontwikkeling te geraken. Derde beslissend fenomeen is tenslotte de snelheid geweest waarmee het kapitalisme de ekonomische krisis van begin van de jaren zeventig het hoofd heeft geboden
.
Hoe dan ook heeft het einde van de klassieke ideologische strijd ook andere, minder vanzelfsprekende gevolgen. Niemand bekent zich vandaag nog tot de socialistische ideologie. Niemand verdedigt nog een door de staat geplande ekonomie. Geen mens haalt het nog in zijn hoofd om openlijk en ronduit te pleiten voor nationalisering of het onder kollektief gezag plaatsen van ondernemingen. De burger krijgt daardoor de indruk dat alle partijen en politici in feite hetzelfde zeggen, dat er geen echte verschillen meer bestaan. Het traditioneel politiek debat is zo goed als dood of in elk geval inhoudsloos geworden. Er zijn nog wel diskussies en verhitte gesprekken, maar helaas niet over de grond van de zaak. De ideologische wapenschilden worden nog wel uit de kast gehaald, maar niet langer uit overtuiging. Het zijn eerder dekmantels geworden die moeten verhullen dat het in onze poltieke demokratie in wezen om wat anders gaat: macht en eigenbelang. De burger weet dat, voelt dat, baalt van die onwaarachtigheid. De politiek laat de ideologische vlaggen wapperen en spuit voortdurend ideeën, waarden en programma's, niet uit overtuiging, niet om de samenleving vooruit te helpen, maar om macht om de macht te verwerven, om het eigenbelang te laten zegevieren. In de ogen van de burger verwordt de politiek zo tot een spektakel waarbij de woorden al lang niet meer de daden dekken en waarbij zijn ideeën, noch zijn verzuchtingen of verwachtingen aan bod komen.
Naast het verdwijnen van het traditioneel politiek debat, doet zich in onze liberale demokratieën een tweede verontrustend verschijnsel voor, met name de korruptie en het kliëntelisme. Er gaat geen dag voorbij of we worden langs krant, radio, of televisie opgeschrikt door een of ander geval van politieke oplichting, de affaire Mathot, de zaak Beaulieu, het parkeermeterschandaal in Luik, de obussen, de verdwenen Distrigaz-miljarden en de vele andere niet gekende "politieke fortuinen". Die korruptie vindt haar verspreiding in de steeds groter wordende bemoeizucht van de overheid. Zij is het grootst in de totalitaire staten, de vroegere kommunistische landen en de diktaturen in de derde wereld: de kleptokratieën zoals ze worden genoemd. Dat de korruptie zich vandaag ook verspreidt in sommige van de oudste demokratieën, is het gevolg van de invloed die de politiek en de bureaukratie hebben verkregen in het dagdagelijkse, vooral ekonomische leven. Maar even dodelijk voor de demokratie is de zachtere, maar daarom niet minder schadelijke vorm van korruptie, het kliëntelisme. De politieke benoemingen, het toekennen van de bouwvergunning, iets regelen in verband met de legerdienst van de zoon, het verkrijgen van een studiebeurs voor de dochter, het ter beschikking stellen van een sociale woning, het aansluiten van de nieuwe telefoon waarop men al maanden zit te wachten en ga zo maar door.
Dat zijn nog maar de kleine voorbeelden. Het verschaffen van subsidies aan bevriende bedrijfsleiders, het toekennen van openbare aanbestedingen en publieke investeringen aan de in de eigen regio gevestigde ondernemingen, zijn al wat forsere gevallen. In de politieke wereld maakt men er zich nog nauwelijks druk over, maar men onderschat het afgrijzen waarmee de burger tegen dit alles aankijkt. Politiek dienstbetoon ervaart hij vaak als een vernedering, waarbij hij de politici moet smeken ogenschijnlijk "kleine", maar voor hem levensbelangrijke problemen op te lossen, problemen die in feite niet zouden mogen opduiken of die zichzelf zouden moeten oplossen indien de staat en de administratie naar behoren zouden werken.
Vele politici zien die vernedering niet. Zij nestelen zich integendeel maar al te graag in dat kliëntelisme: hun intuïtie vertelt hen dat ze de burger op die manier afhankelijk maken. Zo afhankelijk dat hij er uiteindelijk bij de verkiezingen niet meer onderuit kan voor de behulpzame politicus te stemmen. De burger pikt dit niet langer. Die afhankelijkheid, dat politieke lijfeigenschap, neemt hij niet meer. Hij heeft de politici door: ze azen op zijn stem.
Maar zelfs wanneer een aantal politici het van harte zouden willen, kunnen ze aan dit politieke spel nauwelijks iets veranderen. De grote meerderheid onder hen zit immers gevangen in de houdgreep van de pressie- en drukkingsgroepen. Naast de implosie van de ideologieën en het kliëntelisme is die almacht van die drukkings- en pressiegroepen, het korporatisme, de derde belangrijke voedingsbodem geweest voor de politieke aardschok van 24 november. De burger voelt zeer goed aan dat het niet meer het parlement en een daaruit opgestegen regering zijn, m.a.w. diegenen die hij verkozen heeft, die de beslissingen nemen, maar belangengroepen en hun eksperten.
Hij voelt zeer goed aan dat wat ook de uitslag van de verkiezingen moge wezen, er toch niets zal veranderen, omdat achter de schermen van de politieke spektakelstaat "anderen" de touwtjes in handen hebben, en die "anderen" dat zijn de drukkings- en pressiegroepen. De politici zijn het verlengstuk, de "politieke arm" geworden van deze organisaties. Die organisaties, zuilen genaamd, zijn almachtig. Zij bezitten schoolnetten, hospitalen, mutualiteiten, werknemers- en werkgeversorganisaties, socio-kulturele verenigingen, banken, reisbureaus en noem maar op. Zij beheren aanzienlijke delen van het overheidsapparaat. Zij kontroleren de staatsbedrijven. Iedere stap die de mens in zijn leven zet, wordt door hen georganiseerd, staat onder hun kontrole, letterlijk van de wieg tot het graf.
Eigenaardig genoeg kiest haast niemand zijn zuil uit vrije wil. Iedereen wordt erin geboren. In ons land kom je op de wereld in een ziekenhuis van een bepaalde zuil. Daarna word je naar de kleuter-, de lagere en de middelbare school van een bepaald net gestuurd, behorend tot diezelfde zuil. Je gaat op vakantie met de mutualiteit van opnieuw diezelfde zuil. en je wordt vaak ook lid van een vooraf gekleurde jeugdbeweging. Eens volwassen, getrouwd en een job gevonden, zit die zuil als het ware in je familie-archief en gewoontes. Dus ga je bij de vakbond en de mutualiteit van altijd dezelfde, voorouderlijke zuil. Wie probeert op eigen benen te staan, een eigen handelszaak of kleine onderneming op te bouwen, vindt haast vanzelf een organisatie voor middenstanders of werkgevers in de zuil. En wie het landbouwbedrijf van vader en moeder overneemt, kan aan de verzuiling zelfs niet ontkomen. Langs het Aveve verschaft de Boerenbond de voeders, betaalbaar met een door zijn eigen Cera-bank toegekende lening en dit alles verzekerd bij het ABB, juist, van de Boerenbond. Die stuurt dan weer zijn afgezanten naar de Europese instellingen waar over het landbouwbeleid de grote beslissingen worden genomen tijdens nachtelijke maar niet zeer demokratische vergaderingen.
Kortom, de zuilen en hun organisaties beheersen grote delen van het maatschappelijk leven. En op zichzelf is daar niets op aan te merken. Integendeel zelfs. Het valt te verkiezen dat vrijwillige, spontaan ontstane verenigingen zich met de publieke zaak of het gemeenschappelijk belang bezighouden, eerder dan een anonieme en inefficiënte bureaukratie. Maar de zuilen en hun organisaties worden wél een probleem van zodra ze zich ook met het politieke leven inlaten. Dan worden ze een staat in de staat, die valt buiten het koncept van het algemeen stemrecht en de parlementaire kontrole, met groepen die steeds groter willen worden en meer middelen willen vergaren. Zo hollen ze stilaan de gemeenschap uit, roven ze de poltieke staat leeg en verschralen ze het leven. Ze delen de samenleving immers op in grote vertikale gaanderijen die met elkaar nog nauwelijks kontakt onderhouden. Wie tot een zuil behoort, tot zo'n steunpilaar onder het dak van de officieuze politieke macht (de niet gemandateerde demokratie), kan de andere groep alleen nog vanop afstand zien, zoniet met wantrouwen. Hij zit bij "ander volk", niet bij "ons soort mensen". En weigert hij tot een zuil toe te treden, weigert hij een partijkaart of het lidmaatschap van een of ander syndikaat, wil hij een vrije, onafhankelijke burger blijven? Dan wordt het heel moeilijk voor die benoeming hogerop, de sociale woning of de goedkope vakantie.
Uiteindelijk – hoe goed bedoeld bij de aanvang ook – gaan zuilen en drukkingsgroepen een politiek leven leiden. Niet het belang van de leden, het wel en wee van de aangeslotenen, maar de beveiliging van de eigen strukturen verkrijgt dan de bovenhand. Alle beslissingen worden getoetst aan "het gewicht" van de organisatie, aan hun greep op de macht. Vroeger progressief en op de bres staand voor de gewone man en vrouw, worden ze uiterst behoudsgezinde organisaties, angstig voor vernieuwingen, veranderingen of hervormingen. De bemoeizieke staat, de loodzware bureaukratie, de failliete overheidsbedrijven, de deficitaire sociale kassen, aan niets van dat alles mag ook maar met één vinger geraakt worden. De angst om de uit de gekoloniseerde staat gewonnen middelen en de machtspositie kwijt te spelen, overheerst de liefde voor de samenleving waarin ze in het verleden hun oorsprong vonden.
Desnoods geeft men er nog liever de voorkeur aan, iedereen, arbeiders, bedienden, zelfstandigen, leden of niet-leden, arm of rijk, zwaarder te belasten; eerder dan iets te veranderen aan het overregulerende en kostenverslindende staatsapparaat waarop men teert
. Ook wanneer de zuilen met elkaar in botsing komen, is dat de uiteindelijke uitkomst. Na enige wederzijdse opwinding wordt steevast een overeenkomst of kontrakt afgesloten, een kultuurpakt, schoolpakt of sociaal pakt. Zo heet dat dan. De inhoud is daarbij steeds dezelfde: de vrede tussen de zuilen herstellen, de tegenstrijdige belangen tussen de drukkingsgroepen met elkaar verzoenen door op de rug van de belastingbetaler aan elk van de betrokken partijen méér geld en méér middelen te geven. Dat België vandaag een torenhoge openbare schuld heeft van meer dan 8000 miljard, vindt hierin wellicht zijn voornaamste reden.
De politieke partijen worden bij dit alles gedegradeerd tot de rol van pleitbezorgers. Zij moeten er enkel voor zorgen dat het korporatisme zo ongestoord mogelijk zijn gang kan gaan, m.a.w. dat de bevriende zuilen en hun organisaties zo veel mogelijk financiële middelen krijgen toegestopt uit 's lands gemeenschappelijke pot, de nationale schatkist. Zij ondervinden hierbij nauwelijks weerstand. Waar voorheen de drukkingsgroepen afhankelijk waren van de politieke partijen en de wetgever, zijn de rollen nu omgekeerd. De meeste politieke partijen zijn vandaag geïnfiltreerd en in hun werking gedomineerd door de pressiegroepen. Deze verlenen immers de financiële steun, noodzakelijk voor de verkiezingen. En in het geval van de CVP en, in mindere mate de SP, bepalen zij zelfs wie er op de lijst komt en wie niet en of het een verkiesbare plaats wordt of niet. Je kan dus nog moeilijk spreken over "drukkingsgroepen". Dat waren ze vroeger, toen ze "drukten" op het beleid. Nu maken ze dat beleid zelf.
Inmiddels raken de échte verwachtingen en verzuchtingen van de burger, de gestoorde relatie tussen de bevolkingsgroepen, de verloederde leefomgeving, de onveiligheid in onze grote steden en agglomeraties, de gerechtelijke achterstand, de manke werking van het justitieapparaat en het gevangenissysteem, steeds meer en meer op de achtergrond. De zuilen laten die maatschappelijke kopzorgen zolang mogelijk onbesproken en onbehandeld. Er kan immers niet veel macht en invloed mee worden opgebouwd. Het gaat veelal om problemen die nu eenmaal buiten de werkkring vallen van al die socio-professionele groepen die eigenlijk niet langer met de samenleving maar met zichzelf bezig zijn. Ze "kopen er niets voor", geen posities, geen delegaties in de onderhandelingsgroepen, geen stukken van een of ander overheidsbudget. Voor de politieke partijen zijn die problemen dus evenmin écht van belang. Er wordt wat lippendienst aan bewezen, meer niet. Beetje bij beetje voelt de burger zich in de steek gelaten. En dat ondanks zijn waarschuwingen, keer op keer, bij elke stembusgang. Tot de schok niet meer te vermijden valt. Tot de bom barst. Zoals op 24 november 1991.











