De evaluatie
Het Eerste Burgermanifest
Het Tweede Burgermanifest
Het Derde Burgermanifest
De politiek werkt nog grotendeels met schema's en methodes uit de vorige eeuw. Zij stoelt namelijk op delegatie. De burger beslist niet zelf, op geregelde tijdstippen duidt hij iemand aan om dat in zijn plaats te doen. Hij wordt, bij wijze van spreken door de grondwet, nog altijd onbekwaam geacht om zelf voortdurend te spreken, te beslissen, te regeren. Dat doen in zijn plaats de politici die in feite slechts gesloten en ongrijpbare corporaties plus hun partijen vertegenwoordigen. Dit is geen democratie meer, dit maakt drastische hervormingen hoognodig.
De stemplicht is namelijk een borstwering tussen de politici en de afkeuring die het kiezerscorps gebeurlijk voor ze voelt. De bewindslieden hoeven geen voorafgaande inspanning voor ze te doen, intellectueel of in bestuurlijke daden, om de kiezer ervan te overtuigen aan de democratie deel te nemen. Dit verklaart mee de in ons land gangbare schraalheid van het electorale debat. Geen burger kan zeggen: mij niet gezien. Als hij niet gaat stemmen, wordt hij voor de rechtbank gestraft, tenminste als die rechtbank daar tijd voor wil vrijmaken.
En voor wie moet de kiezer onder al die dwang zonodig gaan stemmen? Op lijsten die zijn samengesteld door nog geen half procent van de bevolking. Het gaat hem eigenlijk om vooraf geregelde coöptaties die, enkele strijdplaatsen daargelaten, gewoon geconsacreerd moeten worden door een wettelijk geregisseerd stembusritueel zonder noemenswaardige maatschappelijke inhoud.
De politici hebben zo de illusie dat de natie hun woorden en daden wikt, maar ze strooien zich zand in de ogen. Want ook de burger die weigert te stemmen, stelt een daad. Hij geeft een teken van politieke vereenzaming: hij laat weten dat de politici niet relevant zijn voor de bekommernissen waar hij mee bezig is. Daarmee is hij geen inciviek. Hij geeft een voor de democratie waarschuwend signaal, hij is een waardemeter voor het soort politiek van de onverschilligheid die gevoerd wordt.
Iedere politieke discussie wordt dus twee keer gevoerd, ieder kabinet tweemaal geïnstalleerd, elke begroting dubbel goedgekeurd. Het is alsof een privé-onderneming geleid zou worden door twee raden van bestuur en twee aandeelhoudersvergaderingen.
De debatten duren lang, de aandacht van de media is flauw want er valt weinig waardevols te melden. Het Belgische parlement werkt niet. Het argument om het dubbele systeem, met de bijna vierhonderd leden die het bevolken, te handhaven in naam van de rustige bezinning bij een tweede discussie in de andere vergadering, klinkt vals. Zij is historisch onjuist en houdt evenmin steek wanneer men de dagelijkse gang van zaken bekijkt.
Slechte, onafgewerkte of zinloze wetgeving wordt niet vermeden door twee kamers. Het aantal ontwerpteksten of wetsvoorstellen dat na een eerste goedkeuring in de andere kamer wordt gecorrigeerd, is op één hand te tellen. De werkelijkheid is dat de meeste wetten tot stand komen op initiatief van de regering. Zij zet telkens haar meerderheid zo onder druk dat van die veelgeprezen bezinning weinig of niets in huis komt. Sterker nog, omdat de dubbele procedure zoveel tijd in beslag neemt, worden de ontwerpen meestal op een drafje afgehandeld en niet ernstig onderzocht. Maakt een parlementslid, soms van de meerderheid, dan toch serieuze bezwaren of ontdekt hij een ernstige juridische miskleun, dan verwijst de regering steevast naar een volgende wet om het euvel te verhelpen. Dat verklaart onder meer de legistieke wildgroei die we de laatste jaren meemaken.
Een dubbele kamer garandeert helemaal geen evenwichtige wetgeving. De kwaliteit ervan hangt af van deze van de parlementsleden zelf. En wie een stelselmatige bezinning wil inbouwen, kan dat ook binnen één kamer, bij voorbeeld door een reflectie die verplicht moet worden ingeschakeld in een periode kort voor de nieuwe wet van kracht wordt.
Net zoals de stemplicht is het tweekamerstelsel een anachronisme, destijds in het leven geroepen om de belangen van de hoogste burgerij en de adel te beschermen tegen de pre-democratische sfeer van 1830. Vandaag wordt het in stand gehouden om de politieke klasse aan zowat tweehonderd bijkomende maar nutteloze mandaten te blijven helpen. In de discussie over de grondwetsherziening en de hervorming van de senaat wordt dit probleem niet eens meer discreet besproken, maar open en bloot op tafel gelegd. Daarom denken zelfs christen-democratische woordvoerders – en niet van de minste – eraan de hervorming door te voeren, maar haar uitwerking naar de toekomst te verschuiven, tot de heren en dames vanzelf uitgestorven zijn. Uitdovingsrecht dus, voor mensen die niet meer beseffen dat ze er niet voor zichzelf maar voor de samenleving zijn.
In 1831 waren het er vijf. Uiteraard hebben moderne staten er meer nodig, want ze kregen inmiddels veel meer taken toevertrouwd. Maar België is werkelijk dronken van zijn hoeveelheid excellenties, op de koop toe omringd door een zwerm persoonlijke medewerkers, het kabinetswezen dat op zijn beurt de administratie heeft overwoekerd. De explosie van het aantal A- en E-platen heeft al tot gekke situaties geleid. Zo moest de staatssecretaris van Landbouw ons land vertegenwoordigen op een Europese conferentie van... onderwijsministers. De vier voor die materie bevoegde ministers raakten het thuis immers niet eens over wie België zou gaan vertegenwoordigen.
De toestand in de Brusselse deelregering is zo mogelijk nog komischer. Acht excellenties om een stad te besturen, van wie één als officiële opdracht en titel de huisvuilophaling meekreeg. Niet dat afval onbelangrijk zou zijn, maar normaal wordt daar door een schepen voor gezorgd. De burger verliest hier het laatste greintje eerbied dat hij mogelijk voor de politiek nog had.
De ministeriële inflatie, die zondermeer de parasitaire mentaliteit van een regentenclub verraadt, ligt aan de basis van een nog veel diepere malaise in de samenleving. De gewone buitenwereld, burgers en ondernemingen, moeten vaak vertwijfeld op zoek naar de voor hun zaak bevoegde administratie. Ze lopen verloren in dat door de regering zelf geplante woud. Teneinde raad wenden ze zich tot een volksvertegenwoordiger (de kwaal van het dienstbetoon...) die het op zijn beurt mag gaan uitzoeken bij ministers die elkaar jaloers allerlei bevoegdheden betwisten.
Het kabinetswezen kost zowat 4 miljard frank per jaar. Maar de financiële gevolgen van de overbemanning bij de uitvoerende macht wegen veel zwaarder dan dat. Elke minister heeft een budget nodig, hij moet immers zijn nut bewijzen. Voor dat budget strijdt hij bij Begroting, en zo verder. Het aantal ministers lokt automatisch een verslechtering van de rijksfinanciën uit.
Een drastische ingreep is nodig, met name de beperking en zelfs de halvering van het aantal portefeuilles. Dit moet worden opgelegd door de grondwet, want het politieke milieu zal zelden de moed hebben om zelf, zonder uitvluchten, een grens te trekken. Bovendien mag wel eens worden omgekeken naar het nut en het beroepsprofiel van de staatssecretarissen. Moeten dat per se politici zijn, met ministeriële allures? Haalt men deze medewerkers niet beter uit de administratie?
De politieke partijen en de ermee geliëerde zuilen, drukkingsgroepen of comités blijven het publieke leven domineren, zonder dat de burger voldoende op het debat kan wegen. Het delegatieprincipe waarbij hij niet zelf maar slechts via een afgevaardigde kan beslissen, moet radicaal worden uitgebreid.
Naast de delegatie moet de burger zich ook rechtstreeks en zonder tussenpersonen kunnen laten horen over staatszaken. De partijen en hun stille opdrachtgevers moeten derhalve plaats ruimen.
Een eerste ingreep daartoe dient de politieke partijen zelf te raken. Zij mogen niet langer eigenmachtig bepalen wie verkiezingskandidaat zal zijn, en wie geweerd wordt. Theoretisch kan iedere burger zich weliswaar aan het kiezerscorps voorstellen, maar in de praktijk is hij kansloos zonder een behoorlijke plaats op de lijst van een partij. Maar het zijn niet de kiezers die deze plaatsen bepalen.
De burger heeft geen zeggenschap over de kansen die aan een bepaalde kandidaat gegeven worden.
Dat wordt voorgekauwd door de partijen, die er in feite een coöptatiesysteem op nahouden en hun politiek personeel bovendien mentaal afhankelijk van zich maken.
Tegenwoordig is een parlementslid niet veel meer dan een radertje in een grote meerderheids- of oppositiemachine, waarmee de regering naar believen manoeuvreert. Daarom juist wordt er in de Wetstraat zo zelden iets moedigs en origineels gehoord en is ons politiek leven triviaal geworden.
Zoals in de Verenigde Staten heeft België nood aan echte voorverkiezingen, .
Elke burger die zich bij een partij op de kiezerslijst laat registreren, krijgt op deze manier de kans om de samenstelling van de lijst exclusief te beïnvloeden.
We hebben al een parlement, dus is het referendum overbodig. Zo luidt een tweede argument, dat theoretisch juist is, maar in de praktijk niet werkt. De stortvloed van ontevreden lezersbrieven in de pers geeft daar al een vermoeden van. In de Belgische democratie vertegenwoordigt een parlementslid immers alles behalve zijn kiezers. Hij is volkomen ene produkt van de partij en haar ingebouwde drukkingsgroepen.
Daarom is het referendum helemaal niet overbodig, het is onontbeerlijk geworden om maatschappelijke problemen die door de bevolking worden aangevoeld, dringend op de agenda te plaatsen.
Nu worden ze jarenlang genegeerd. Eindeloos heeft het geduurd alvorens ons land een ernstig anti-crisisbeleid kreeg, of als een van de laatste in Europa een aangepaste abortuswetgeving. En voor wanneer een ernstige aanpak van het migrantenvraagstuk, de milieuverloedering?
In Zwitserland worden sedert eeuwen volksraadplegingen gehouden, over alle mogelijke kwesties, ook de meest onwaarschijnlijke. Folklore, zegt men dan, en geen fundamentele maatschappijkeuze. Niets is minder waar. In Frankrijk werd in 1958 en 1962 bij referendum beslist over de nieuwe politieke instellingen, waarin president De Gaulle groot werd en later ook ten onder ging: na het referendum van 1969 over de regionalisering, waarbij hij de polsslag van de Fransen niet meer bleek te voelen.
In de VS-staat Californië werd in 1978 een fiscale drempel in de grondwet ingeschreven, na referendum. De politieke partijen waren er niet in geslaagd de massaal goedgekeurde belastingstop te verhinderen, al schreeuwden ze moord en brand. Ook zij waren blijkbaar vergeten dat de historische rol van een parlement erin bestaat de bede van de naar geld vragende machthebbers te beoordelen, en niet zelf systematisch voor nieuwe uitgaven in de bres te springen.
Bij de Italianen, die in 1981 per referendum de medische abortus uit de strafwet lichtten, is de volksraadpleging uitgegroeid tot de belangrijkste vorm van politieke besluitvorming. Het komt zeker België niet toe deze instelling in de democratie bij voorbaat te veroordelen. Het referendum is geen slechte remedie, maar een zegen. Een wapen tegen altijd die vage programma's waarmee de politici altijd alle kanten uitkunnen en de kans om de dichtgeslibde kanalen tussen volk en overheid te ontstoppen.
Burgers kunnen nooit à la carte kiezen. Zij moeten altijd het hele menu van een partij slikken, ook al staan daar dingen bij die ze niet lusten. Een ad hoc-referendum, dat er uiteraard pas kan komen nadat een betekenisvol deel van de bevolking erom vraagt, schakelt dit uit.
De moeilijkheid bestaat er echter in dat een meerderheidsbesluit niet per definitie juist, goed en rechtvaardig is. Het is niet omdat een meerderheid diefstal, moord of genocide zou goedkeuren, dat deze daarom te verantwoorden zijn. Een meerderheid kan ongeoorloofde privilegies, discriminaties of zelfs grof onrecht tot stand brengen. John Locke zag dat twee eeuwen geleden reeds in. Ook de meerderheid, vond hij, moet aan de regels worden onderworpen. Naast de volksvertegenwoordiging moet een grondwettelijke rechtbank worden opgericht, waartoe iedere burger zich kan wenden als hij zich in zijn fundamentele rechten bedreigd of geschaad voelt.
Het stichten van een opperste gerechtshof, met uiteraard eveneens feilbare maar dan toch levenslang benoemde en dus onafhankelijke wijzen, kan verhinderen dat een meerderheid altijd gelooft dat ze het bij het rechte eind heeft, gewoon omdat ze de meerderheid is. Kort gezegd: het kan geen kwaad dat ons publieke, politieke leven wordt aangevuld door een college van mannen en vrouwen die in de hoogste juridische orde kunnen optreden wanneer het parlement in zijn wetgevend werk een vergissing inzake fundamentele rechten en vrijheden begaat.
Op al die beslissingen, die hem rechtstreeks aanbelangen, heeft de burger geen vat. Normaal, zegt de politicus, ik ben immers verkozen. Maar is dat zo normaal? Stellen we ons even voor dat de economie op dezelfde wijze zou werken. Niet de consument zou dan beslissen wat er in de winkel te krijgen is, naar welk land de vakantie zal voeren en of op die avond sport, televisiekijken of een bioscoop de ontspanning zal bieden. De burger zou in zo'n situatie het recht niet meer hebben zijn leven zelf in te richten.
Onze samenleving zou in dat geval afglijden naar een antiek Egyptisch of Minoïsch peil: naar wat men de toen gangbare paleizeneconomie noemt. Vorst en hofhouding bepaalden binnen hun paleismuren wat en hoeveel en voor wie er werd geproduceerd. Een leger boekhouders schreef dat nauwgezet op, zoals in een socialistische bevelseconomie of bij ons tijdens de oorlogsjaren met hun rantsoenbonnen.
Eigenlijk leggen we ons op de politieke markt bij een dergelijke gang van zaken neer. Dagelijks wordt ons allerhande opgedrongen, voorgeschreven of geweigerd. We worden wel groot genoeg geacht om zelf te beslissen wat we eten, welke ontspanning we kiezen, welk soort huis we bewonen, hoeveel we wensen te sparen. Maar men houdt ons kennelijk niet voor bekwaam om voor onze eigen pensioenvorming, onze gezondheidsverzekering, de opvoeding van onze kinderen te zorgen.
We kunnen dat nochtans de baas. We laten onze kinderen met leermoeilijkheden bijlessen volgen, daar zorgen we zelf wel voor. We sluiten levensverzekeringen of leggen opzij voor een aanvullend pensioen. Jamaar, zeggen de politici, niet iedereen heeft daar de middelen voor. Juist, daarom is het hun taak om met de opbrengst van belastingen de burgers met moeilijkheden op te vangen. De rol van de overheid bestaat erin om van een zwakke burger een sterke te maken. Dit sluit helemaal niet uit dat de gewone man voor de samenleving zelf een aantal dingen die hij erg op prijs stelt moet kunnen regelen. Waarom het recht niet geven om een deel, zeggen we twintig procent, van de door hem betaalde belastingen naar eigen inzicht te bestemmen? Op zijn aangifteformulier zou een vakje moeten voorkomen waarop hij een som kan invullen voor Artsen zonder Grenzen, Greenpeace, de Vlaamse Opera, het stedelijk museum, een te restaureren monument, noem maar op. Wie weet zal de burger ook zijn ideologische zuil steunen, zijn kerk of vakbond. Dat zal dan tenminste vrij democratisch in zijn werk gaan, en niet volgens de ongrijpbare voorschriften van de politieke wereld.
De burger zou met andere woorden de mogelijkheid moeten krijgen vitale kwesties zoals het onderwijs voor zijn kinderen, zijn oude dag of zijn gezondheid, te vrijwaren zonder tussenkomst van de staat en de politiek. Hij zou dus het recht moeten krijgen uit het gepolitiseerde overheidssysteem te treden, en niet langer van de wieg tot het graf door dat soort samenleving te worden begeleid. Hij hoeft daarom geen kluizenaar te worden, en zelfs geen egocentrist. Zijn vertrek uit de Staat ontslaat hem niet van de plicht tot solidariteit met de anderen. Hij blijft aan de gemeenschap aan basisbelasting verschuldigd, terwijl hijzelf zijn eigen boontjes dopt.
Een praktisch voorbeeld: de pensioenvorming. Vandaag is het de staat die dat regelt, overigens op een lamentabele manier: hoge bijdragen, beschamend lage uitkeringen en geen reserves. De staat geeft de maandelijks ingezamelde premies ogenblikkelijk weer uit. Hij heeft geen spaarpot aangelegd om, met de rente-opbrengsten ervan, de pensioenen geheel of gedeeltelijk uit te betalen. In Nederland of Duitsland is dat anders. Daar behoren de pensioenfondsen tot de rijkste en grootste investeerders van Europa. Zij hoeven niet elke maand de kassen leeg te schrapen. Zij hebben na de oorlog door verstandig beheer een indrukwekkende financiële voorraad aangelegd.
Bij ons zou de burger het recht moeten hebben uit dat slecht beheerde systeem te stappen en zelf zijn pensioen op te bouwen. Hij zou dat kunnen door individueel of met zijn vrij samengestelde groep (een bedrijf, een familie) een contract aan te gaan met een verzekeraar of zich bij om het even welk pensioenfonds aan te sluiten. Van zijn huidige bijdrage aan de overheid zou slechts een solidariteitsbijdrage overblijven om de overheid in staat te stellen ook voor de minder fortuinlijke medemens een pensioen te vormen. De enige verplichting die nog zou bestaan, is deze om hoe dan ook een pensioen aan te leggen. Hoewel, hoe en met wie maakt de burger zelf uit.
Het recht om uit de staat te treden zou een nieuw burgerrecht moeten worden, op tal van domeinen toepasbaar. In de gezondheidszorg zou het een einde maken aan de plundering door de ziekenfondsen, artsensyndicaten en andere partners binnen het medico-mutualistische systeem. In het onderwijs zou de geldverslindende strijd tussen netten en types ophouden. Ondernemingen zouden, als ze afstand doen van alle mogelijke kapitaalpremies en expansiekredieten, vrijgesteld kunnen worden van vennootschapsbelasting. In de culturele en artistieke wereld zou het onze kunstenaars, ontheven van fiscale en andere aardse beslommeringen, kunnen toelaten bij ons te blijven en zich niet ontgoocheld in Frankrijk of Ierland terug te trekken. In ruil voor hun vrijheid, zouden we de hele bureaucratische cultuurpolitiek vaarwel kunnen zeggen.
De nieuwe rechten zullen echter altijd en permanent afdwingbaar moeten blijven bij een hogere, niet-politieke instantie. Neem bijvoorbeeld het recht op een gezonde leefomgeving. Eerder dan de overheid, zoals tot de dag van vandaag, verder te laten knoeien met grootscheepse plannen en (verkeerde) investeringen, zou men dit recht grondwettelijk kunnen vastleggen. Op grond hiervan zou de burger, of een door hem gekozen vertegenwoordigende instantie, voor de rechtbank elke aantasting van zijn leefmilieu kunnen doen stopzetten en iedere milieuschade doen vergoeden. De strijd tegen de ecologische verloedering zou, volgens deze variant op het thema meer recht en minder politiek, nogal wat doortastender verlopen.
Vandaag is het milieubeleid een eeuwig afwegen van belangen, een strijd van lobby's: landbouwersverenigingen, industriële groepen, milieuactivisten. Wie het grootste aantal achter zich heeft, het luidst kan roepen of het beste contact met de politici kan krijgen, trekt het laken naar zijn kant. Met nieuw ingevoerde rechten, zou milieubescherming een zaak van elke burger worden, los van de politiek. Over het gebruik van CFK's in spuitbussen of pesticiden op de akkers, zou niet meer jarenlang onderhandeld hoeven te worden met de industrie, respectievelijk de Boerenbond. Eén rechterlijke beslissing zou volstaan, op vraag van zelfs één burger.
Wat dit manifest voorstelt is geen utopie. Mensen zijn in staat om goed en slecht, zinvol en waardeloos van elkaar te onderscheiden. Ze kunnen bekwame keuzen maken, als ze de kans krijgen. Die kans afdwingen lijkt, in een land als het onze, een schier hopeloze taak.
Hoe overwinnen we de weerstanden, hindernissen, sluwe verdraaiïngen in de discussie, onheilsprofetieën vanwege de verenigde politieke klasse? Onmogelijk? Toch is het juist dát wat de gewone burgers in Midden-Europa een goed jaar geleden hebben gedaan: het ondenkbare en het onmogelijke.
Het zijn niet wij, de Amerikanen of de beroepsdiplomaten met hun geostrategische modellen die de Hongaren, Slovaken, Tsjechen, Polen, Oost-Duitsers e.a. van het communisme hebben bevrijd. De Hongaren, Slovaken, Tsjechen, Polen en Oost-Duitsers hebben dat zelf gedaan. Wij legden ons neer bij de grenzen van Potsdam en de regimes erna. Zij niet.
Gevoed door een groeiende burgerlijke verontwaardiging, door getergde woede zelf, hebben zij burgercomités en andere bewegingen gevormd. Eerst clandestien, geleidelijk openbaar. Die bleven net zolang zand in het kamwiel gooien, tot het mechanisme van de onderdrukking stilviel. Dan vielen muren en versperringen van prikkeldraad. Einde van de éénpartijstaat.
In eigen land, en steeds meer ook in het democratisch totaal ontoereikende Europa, hoeven we geen communisme te verjagen want het is er niet. We hoeven de markteconomie niet te veroveren, die hebben we. We moeten alleen maar de democratie van een stille dood redden, door de klok van de politiek gelijk te zetten met het uur dat geslagen heeft in de wetenschappen, de economie, de cultuur en de sociale ethiek. Het uur van de vrijheid, vindingrijkheid en levenswil.
Daar is een ietwat meeslepende beweging voor nodig, een van arbeiders, bedienden, ambtenaren, handelaars, vrije beroepen, journalisten, schrijvers en kunstenaars. Zij hebben allen het belangrijkste gemeen: dat ze burger zijn. Hun beweging zal daarom alleen praten met politici die de radicale ommekeer willen, los van politieke, commerciële, syndicale of zuilgebonden oogmerken en belangen.
Waarom wachten?











