De evaluatie
Het Eerste Burgermanifest
Het Tweede Burgermanifest
Het Derde Burgermanifest
Zeer waarschijnlijk is er nog gespreks- en denkstof genoeg, over serieuze vraagstukken die in de nabije toekomst op ons af blijven komen. Demografie, ecologie, internationale samenwerking, culturele integratieprocessen: het inrichten van een leefbare wereld is een werk dat nooit af is.
Eén vaststelling staat echter als een paal boven water. Aan de botsing van de ideeën, de tegenstelling tussen links en rechts, tussen socialisme en liberalisme, tussen planeconomie en vrije-marktsysteem, is een einde gekomen. Die strijd is beslecht. Het staat voor iedereen vast dat een vrije markt van vraag en aanbod, met een overeengekomen prijs van goederen en diensten als communicatiemiddel tussen beide partijen, de beste methode is om de materiële en geestelijke belangen van elke samenleving te dienen en de betrekkingen tussen miljarden mensen te ordenen. Het systeeem scherpt zoveel mogelijk welvaart, voor zoveel mogelijk burgers. Er bestaat geen betere methode om armoede, onwetendheid en achterlijkheid te bestrijden.
De vrije markt zit de mens trouwens ingebakken. Ze ontstond spontaan, niemand heeft haar ooit bewust moeten uitvinden, want ze beantwoordt meer dan duidelijk aan een universele behoefte.
Socialisten, christen-democraten, nationalisten hebben zich bij het onvermijdelijke neergelegd. Allen gebruiken zij nu de taal van het liberalisme. Tot diep in de jaren zeventig klonken woorden als vrijheid, winst, verantwoordelijkheid en persoonlijke inspanning in vele oren verdacht. Er zijn vandaag nogal wat intellectuelen die daar niet graag aan herinnerd worden.
Want de destijds verfoeide vrije markt blijkt nu een fundamenteel beginsel geworden, een geheel van waarden waarmee de samenleving zich goed voelt en waarvoor ze zelfs muren van beton en prikkeldraad afbreekt. Er bestaat geen enkel historisch voorbeeld waarin democratie – de échte heerschappij van het volk – zonder vrije markt kon gedijen. Zelfs de communisten en hun geestesgenoten ontsnappen niet meer aan die waarheid. Er lopen nu overal ter wereld marxisten rond die zowaar de vrije-markteconomie verdedigen.
In de geesten, in taal en daden, heeft zich dus een liberale omwenteling voorgedaan. Het is een revolutie die de crisis van de jaren zeventig bezwoer, Japan tot een economische wereldmacht maakte, tientallen ontwikkelingslanden in zuid-oostelijk Azië en Latijns-Amerika uit de armoede optilde en ze naar een begin van welstand voor velen leidde.
Ook bij ons liet deze revolutie zich voelen. Heel wat socialistische oudstrijders hebben daar nog moeite mee en proberen de nieuwe situatie wat te verdoezelen.
Maar sedert het begin van de jaren tachtig wordt in ons land het liberale pad bewandeld door regeringen, partijen en tot op zekere hoogte zelfs vakbonden. Dat Vlaanderen en België het best gediend zijn met een vrije economie, waarin slagvaardige bedrijven werk, welstand en bestaanskwaliteit scheppen, wordt niet meer betwist. We zijn misschien al vergeten hoe nieuw dat is.
Voor het eerst in de geschiedenis telt België meer dan 700.000 mensen die op eigen kracht een zelfstandig beroep uitoefenen. Ook die burgers en kiezers hebben geen oren meer naar Grote Verhalen of elkaar bestrijdende ideologieën. Ze doen iets produktiefs met hun leven, ze streven naar meer en beter voor zichzelf en vandaar automatisch ook voor anderen. Van de politiek verwachten ze geen polarisering meer, geen tegen elkaar opzetten, maar krachtige samenwerking in het belang van iedereen.
Zelfs de socialisten, en er zijn er in meer partijen dan de SP alleen, plooien zich nu naar dat inzicht. Weliswaar kunnen ze het nog altijd niet laten om, zo ongemerkt of elegant mogelijk, nieuwe vormen van overheidsbemoeienis in het leven te roepen of oude te laten voortduren. Maar het verschil met vroeger is groot. Socialisering, planning, interventies waren toen doelstellingen op zich, gevoed door een krachtig omhelsde theoretische doctrine. Men bouwde toen tegen heug en meug aan een allesziende Staat met een vrijwel compleet gepolitiseerde, alomtegenwoordige administratie om letterlijk alles te gaan regelen: de arbeidstijd, het sluitingsuur, het minimumloon, het aantal Vlaamse liedjes op de radio, begin en einde van de koopjesperiode, de vaste prijs van een lijnvlucht of een liter benzine, de kleur van baksteen, het tarief voor een advertentie in de krant.
Maar de werkelijkheid bleek weerbarstiger dan al die drukdoenerij vanwege de vrijgestelden namens de overheid, dan hun massale bemoeienis waaraan men dan nog de lelijke naam voluntarisme gaf. Schadelijke gevolgen begonnen zich op te stapelen. voor ondernemingen werd het bestaan zoniet moeilijk, dan minstens toch onprettig benauwend. Op de burgers zelf begon de financiële last te drukken die nodig was om het overheidsapparaat en zijn talloze acties op het terrein te bekostigen.
Uit de reglementenbrij, de wettendiarree en stapels controleurspapieren raakten alleen nog specialisten wijs, waardoor een moderne maar spectaculaire vorm van rechtsonzekerheid voor de gewone sterveling ontstond. Hoe omvangrijker dit socialisme, hoe zwaarder de geleden sociale schade. Dat hebben de mensen uit het oostblok gedurende veertig jaar aan den lijve en aan hun vandaag verwoeste leefmilieu ondervonden.
Nu zijn de rookwolken opgetrokken en zien we de rethoriek die er allemaal achterzat. Samenlevingen zijn geen lego-bouwdozen waarmee mensen die een overheidspositie of mandaat hebben bemachtigd, naar hartelust mogen spelen. Ook heeft hun hele woordenschat over democratisering en meer betrokkenheid bij de politiek nergens toe geleid. Er zijn niet méér maar minder burgers aan het politieke leven gaan deelnemen. En niet de regeerder of ambtenaar heeft aan maatschappelijk prestige gewonnen, maar de tot in de jaren zeventig nog zo gesmade ondernemer.
Wel heeft het politiek-bureaucratische legioen nog niet al zijn wapens neergelegd, want het beschikt over veel kleine en grote protecties, maar het wordt door de produktieve samenleving zwierig voorbijgestoken. Het verarmt materiaal en verschraalt psychologisch. Zijn inmenging is nog slechts een bijprodukt van mensen die niet kunnen loskomen van het verleden en van hun overigens menselijke drang om aan te tonen hoe onmisbaar ze zijn in het economische en maatschappelijke spel.
Toch knaagt ook bij hen ergens de gedachte dat politici geen ondernemers zijn, het niet kùnnen zijn, en dat de dure lijst van grote nutteloze openbare werken of van mislukte aandeelhouderschappen toch wel beschamend lang is geworden. En wanneer die politici tegen beter weten in blijven geloven dat ze de burger dienen te beschermen, komt langzaam maar zeker aan het licht dat hun remedies vaak erger zijn dan de kwaal die ze willen bestrijden.
De burger heeft zelden baat bij overheidsgeweld. Meestal ondervindt hij meer schade dan voordeel. Een Verkeersminister die een rijbewijs met strafpunten wil invoeren zal het aantal verkeersslachtoffers niet doen dalen. Het land zal alleen terechtkomen onder een motregen van grote en kleine sluwheden, van juridische beuzelarijen. Een Justitie-minister die de huurder wenst te helpen met een blokkering of reglementering van de huurprijs en het huurcontract, zorgt in de eerste plaats voor de uitholling van het eigendomspatrimonium, dus van het woningbestand en wat later dus van de huurdersbelangen. Een PTT-minister die maar geen afstand wil doen van de gedachte dat de Staat moet instaan voor post, telefoon en telecommunicatie, beseft niet dat hij de verbruikers noch zijn eigen personeel een dienst bewijst. De tarieven blijven hoog, de aansluitingstijd tergend lang en de zich snel wijzigende nieuwe technologie gaat aan onze neus voorbij.
Het zijn maar enkele voorbeelden van een voorbijgestreefde houding, van aftandse opvattingen die vele politici nog altijd hebben. Het verschil met vroeger is echter dat ze nu niet meer handelen uit overtuiging, maar uit pure gewoonte en soms uit banale vrees voor het nieuwe of voor hun eigen gewicht in de schaal.
Jammer voor de hele overheidsdienst is bovendien dat de zich sociaal noemende politicus-bedrijfsleider zijn mensen slecht betaalt, hen vaak een vreugdeloos arbeidsklimaat moet bieden, een ouderwets personeelsbeleid voert (wat we de laatste tijd bij de spoorwegen konden merken) en zijn klanten zelden een behoorlijke bediening geeft. Voor grote en kleine ambtenaren zit aan dat alles wellicht een gevoel van verzwegen vernedering vast.
Het kan toch niet aangenaam zijn in de volksmond, in grapjes en spotprenten, eeuwig te worden afgeschilderd als een niet te schrandere, lichtjes barse en stoffige werknemer met een politieke benoeming achter de rug en een partijkaart voor de volgende promotie op zak.
Maar dit zijn, hoe dan ook, slechts achterhoedegevechten van enkelen. De tijd van de Staat als maker en boetseerder van ons dagelijks leven is aan het aflopen. Na de inzet, gedurende twintig jaar, van honderden milieuwetten en voor alles en nog wat bevoegde ambtelijke brigades, zijn alle Vlaamse rivieren biologisch morsdood. Het publiek heeft dat nu ook wel door. De volkse wrevel zoekt, bedaard en soms ironisch, een uitweg. De rebelse liedjeszanger valt in zijn gezongen strofen geen fabrieksbazen meer aan, maar de overheid met al haar plannen en bedrijvigheid: laat ons toch nog wat leven, we hebben U niets gevraagd.
Hoe rood het Oosten ook kleurde in de jaren zestig, zo blauw is de horizon in de jaren tachtig geworden. Dat geldt niet alleen voor de economie. Ook in de wetenschap, kunst, persoonlijke sfeer en moraal is zich een nieuw levensgevoel aan het ontwikkelen.
In de wetenschappen wordt alsmaar meer afstand genomen van wat met een groot woord determinisme heet: de werkelijkheid en haar fenomenen kunnen niet begrepen worden vanuit universele en voor altijd geldende wetten, dezelfde die de marxisten op het sociale gebeuren dachten te kunnen toepassen. Met de vrije wil en de zoekende geest moet rekening worden gehouden, willen wij de wereld begrijpen.
In het artistieke en volksculturele landschap heerst een ware explosie van creativiteit. De kranten hebben vele pagina's nodig, en de omroep vele minuten zendtijd, om de dagelijkse stroom initiatieven, voorstellingen en exposiities overzichtelijk te maken. We beseffen nauwelijks hoeveel, vaak jonge, mensen van cultuur hun hoofdbezigheid maken. Ze ontwerpen kleren of theaterdecors, zijn met popsounds en computerprogramma's in de weer, restaureren oude meubelen of gebruiksvoorwerpen, stichten een orkestje, richten een videostudio of zeefdrukkerij op, geven een nieuw design aan lampen, interieurs of huisgevels, schrijven boeken over grootmoeders keuken, beoefenen opnieuw bijna vergeten ambachten. Deze tijd heeft op een prachtige wijze ontdekt dat cultuur een veelgevraagd produkt in de eerlijke zin van het woord is: een goed waarvoor de genieter ervan een prijs wil betalen, omdat het hem gelukkiger maakt. Onze muziekscholen zitten, volkomen democratisch, stampvol kinderen. Wèl morren de ouders, leraars en directeurs over het onverstand van de onderwijsminister die hier voortdurend de keizer-koster wil komen spelen met opgelegde studieroosters en andere voorschriften.
In de persoonlijke levenssfeer wordt steeds meer plaats ingeruimd voor de vrije wil, het eigen oordeel. Mensen beslissen zelf of ze al dan niet kinderen willen, en in welke gezinsvorm. Ze halen de waarden om zichzelf en hun nakomelingen op te voeden uit alle mogelijke denkrichtingen en windstreken. Niet meer de fraseologie van de politieke partijen of aanverwante organisaties en media. Ze worden nog zelden bekoord door schijnheiligheid of pseudo-fatsoen, maar putten hun wereldbeeld uit de dagelijkse omgang met alles wat oprecht is, ook al gaat het om een onbelangrijk zinnetje van David Bowie of Clouseau. Ze hebben veel praktische belangstelling voor brede milieu- en vredesvraagstukken – die in ons land voor de grootste massademonstratie aller tijden zorgde – en verlangen met hart en ziel naar een rechtvaardig lot voor de bijna altijd door politici en militairen kapotgemaakte arme landen in de tropische werelddelen. Velen laten ook, ondanks tegenwerking, traditionele kerkstructuren in de steek om naar eigen inzicht en gevoel spirituele verkenningstochten te ondernemen.
Oudlinks ziet in dat laatste vaak een morele restauratiebeweging, een terugkeer naar de deemoedige jaren vijftig. Een liberaal vooruitgangsoptimist ziet dat anders. Hij vermoedt dat hier een proces van verpersoonlijking, miniaturisering en psychologische privatisering bezig is. Hier past wellicht een begrip zoals zelfcultuur, de informele maar authentieke omgang met het eigen Ik. Daaruit is dan weer de cocooning gegroeid: het samen ik zijn. Dat in deze zone van de menselijke bestaansconditie veel mislukkingen en klein of groot leed voorvallen, is geen reden tot cultuurpessimisme maar doet ons inzien hoe hoog veel mensen tegenwoordig proberen te leven.
Schrijvers en denkers noteren hierbij dat onder de doorsneebevolking steeds minder steun wordt gevonden voor socialistisch overheidsingrijpen ten gunste van meer gelijkheid inzake inkomen, bezit, kennis en macht. Wel wordt een fatsoenlijk sociaal gedrag zonder onverdiende prerogatieven sterk gewaardeerd. Men wil geen gelijkheid, maar gelijke startposities. Mensen houden wel degelijk rekening met elkaar, buiten een van hogerhand voorgeschreven norm en toezicht om. Die onderlinge rekenschap smeedt de sociale moraal veel steviger dan welke publieke reglementering ook.
Dat alles getuigt niet van een conservatieve reflex. De diepliberale gedragspatronen op het gebied van vrije meningsuiting, gevoelsleven, man-vrouw-rollenspel, hoffelijke verdraagzaamheid of opvoeding van kinderen blijven zich immers doorzetten, zij het met vallen en opstaan. En wie daarover enig gezag wil hebben, moet dat ook persoonlijk waard zijn. Gezag wordt niet meer door iedereen automatisch verleend. Het grote publiek wil niet meer te horen krijgen hoe het allemaal moet, het wil weten hoe het is, hoe de dingen in elkaar zitten. Als daar conflicten van komen, thuis of op het werk, wordt er permanent en subtiel over onderhandeld tot een of andere groepsafspraak ontstaat. Er kan hier echter géén autoriteit krachtens een overheidsmaatregel of wet worden uitgeoefend. Een en ander wordt namelijk door de mensen zelf en onder elkaar geregeld. Daarom maken sommige staatssecretarissen die met de reglementering van concrete gedragspatronen (roken, feminisme, persoonlijke werkrelaties e.d.) belast zijn, zich veel illusies.
De werkelijke wereld begaf zich in een revolutie van vrij denken en handelen, de politici deden dat niet. Hun bedrijf draait dus eentonig door, zoals decennia en langer geleden. Op wat franjes na, komt de burger er niet echt aan te pas, tenzij hij bij wijze van uitzondering deel uitmaakt van het raderwerk, van een kamwiel in het grote horloge. Daar geven enkele drukkings- en belangengroepen de tijd aan. Ze kennen de partijen, het parlement en de regering even goed als hun broekzak. Er heerst een vlotte dagelijkse wisselwerking, een menselijke en zakelijke osmose tussen het politieke milieu en dat van ziekenfondsen, onderwijsmiddens, vakbonden, financiële instellingen, boerenorganisaties, cultuurcentrales, patroonsverenigingen voor de nijverheid of de middenstand, enz. Er is heel wat geld mee gemoeid, waarop de samenleving niet veel zicht heeft.
Gemakshalve noemen we een aantal van deze over de samenleving uitgesmeerde bastions zuilen. Het zijn inderdaad massieve pijlers waarop de Belgische en naar te vrezen valt ook de Vlaamse gemeenschap haar dak heeft gebouwd. Het zijn tevens hoge wolkenkrabbers waarin een gewone burger zijn leven lang kan rondlopen om, zonder ooit buiten zijn levensbeschouwelijk milieu te moeten treden en in zekere mate op gemeenschapskosten, aan al zijn sociaal gerief te komen: school, syndicaat, hospitaal, mutualiteit, spaarbank, woningmaatschappij, cultuurfonds, stempelgeld, gesubsidieerde vakantie, benoeming...
Zuilen zijn eigenlijk lokvogels, uitgezet door wat KUL-hoogleraar Luc Huyse politieke concerns heeft genoemd. Het gaat hier om zogenaamde bloedgroepen, netwerken, relatiebureaus die in vroeger tijden aan een politiek en ideologisch schema beantwoordden maar allang gewone firma's in aankoop en verkoop van grotendeels electorale belangen geworden zijn. Firma's, zeker hun bestuurders, willen per definitie graag met alle middelen groeien, belangrijker worden.
Om dat zo ongestoord mogelijk te kunnen doen, werden de rechten en plichten van de verzuilde organisaties vastgelegd in pacten of in brede parastatale instituten zoals het RIZIV. Ze worden eigenlijk beheerd en in de regering vertegenwoordigd door de belanghebbenden zelf. Het parlement van de burger heeft vrijwel geen vat op hun doen en laten. De bevoegde minister een beetje, en daarom komt hij vrijwel altijd uit de zuil zelf, van toen hij nog geen of een kleine politicus was.
Die minister heeft het, eenmaal in de regering, niet makkelijk om zijn beleid met vrije handen te voeren.
Hij is immers naar voor geschoven als bevriend lid van een invloedrijke belangengroep binnen zijn partij. Die steunverlenende groepen, met hun vele beloken vergaderingen die niet in de pers gemeld worden, doen regeringen vallen wanneer naar hun smaak iets scheef begint te lopen. Met hetzelfde gemak helpen ze nieuwe coalities op de been, ook al moet daarvoor een verkiezingsuitslag enig geweld worden aangedaan. De val van Martens VI en de vorming van VIII, die tweehonderd dagen in beslag nam, is daar het meest flagrante voorbeeld van gebleken. Het kabinet werd samengesteld achter dikke deuren, als het ware door een geheim genootschap. Men heeft het zelfs openlijk over de kolonisatoren van de Belgische staat. Men kent het fenomeen, maar men kan het blijkbaar niet verhelpen.
Het hoeft bij dat alles niet te verwonderen dat de burger bijna geen belangstelling, laat staat eerbied heeft voor de politiek. Het gaat zover dat hij zich terecht de vraag stelt wat voor zin het nog heeft om zijn stem en zijn voorkeur uit te brengen. Hij voelt scherp aan dat verkiezingen niet meer dienen om de wil van het volk duidelijk te maken, maar gewoon om de wil van zijn meesters te legitimeren.
De kiezer moet niet worden overtuigd, maar verleid. Er wordt dus weinig over programma's gepraat, want dat vergt uiteenzettingen, maar veel over losse waarheidjes die de waarheid niet raken. In plaats van over visie, heeft men het over beleid. Congressen, affiches, mediastunts moeten de inhoud doen vergeten en de verpakking doen glanzen.
Daarop worden dan, als zijden strikken, zo eenvoudig mogelijke slogans aangebracht.
Le retour du coeur is er zo een. Toch weten de socialisten maar al te goed dat met deze regering de armoede niet afneemt, de minimuminkomens niet sneller stijgen dan vroeger, het verval van de steden niet stopt, aan de universiteiten niet méér arbeiderskinderen komen...
Christen-democraten (wij zijn de ethische oppositie) bepleiten een politieke toepassing van het evangelie. In werkelijkheid vertoont geen enkele politieke partij zoveel minachting voor de medemens en is geen enkele partij zo diep gecorrumpeerd door de macht als de CVP, met haar vele zielen in één borst. Woordbreuk, leugen en soms niet eens subtiele afdreiging – tegenpolen van de christelijke waarden – zijn er schering en inslag.
Nog niet lang geleden had een socialistisch minister het over kwallen en zelfs over keizer Caligula. Hij regeert nu onverstoord met ze mee, ook al kost die tijdelijke samenwerking hem en zijn partij hun gezicht. Want daar is de CVP goed in: de coalitiepartner zijn identiteit doen verliezen.
De nationalisten streven een autonoom, zelfstandig Vlaanderen na. Eigenlijk verkopen ze dag in dag uit de concrete belangen van de Vlaamse burger met het argument dat dit uiteindelijk de macht van de Vlaamse Gemeenschap, dus van henzelf, ten goede zal komen.
De liberalen, tenslotte, raken evenmin uit de kloof die de boodschap van de werkelijkheid scheidt. Hoe vaak zijn zij niet opgekomen voor minder staat en meer vrijheid, om in de praktijk meer overheid en hogere belastingen tot stand te brengen?
Elke beroepspoliticus weet, diep in zijn hart, dat het in de huidige misgroeide stand van zaken niet anders kan. Een partij die radicaal wil blijven staan op haar vaste beginselen en beloften, heeft als regeringsdeelnemer geen overlevingskans. De liberalen hebben dat in 1987 ondervonden, na twee jaar Martens VIII. In die tijd hielden ze koppig vast aan het na zware onderhandelingen geschreven regeerakkoord: totale fiscale stop, belastingverlaging, minder overheidspersoneel, vereenvoudiging van normen en reglementen (deregulering), privatisering.
Hun trouw aan dat gegeven woord bekwam de liberalen slecht. Na twee jaar beginselvast werken in een hardnekkig duidelijke richting, vormde zich diep onder water een discrete coalitie van partijen en drukkingsgroepen (waaronder de toen in opspraak zijnde ziekenfondsen) die aan het experiment een abrupt einde maakten, zogezegd terwille van de moeilijkheden rond José Happart. Blijkens de uitslag van de verkiezingen die erop volgden, mocht dat experiment nochtans rekenen op een groeiende instemming vanwege de bevolking. Daar bekreunde zich niemand om. Wel publiceerde de toenmalige journalist Hugo de Ridder achteraf een schokkend boek, Sire, geef me honderd dagen, waarin de mentale en morele ontsporing van die episode met een wrede precisie beschreven staat. En van de samenstelling van de vijfledige coalitie plus de inbraak van de SP en VU in de reeds gevormde Vlaamse regering, onthielden de mensen twee nogal dodelijke woorden: stoelendans en carrièreplanning.
Het is van kwaad naar erger gegaan. In de beste Belgische traditie werd sedertdien een regeringspolitiek gevoerd die deze naam nog nauwelijks waardig is. Ze is smaak- en kleurloos in haar dagelijks geschuif met kleine compromissen, smoort elke interne discussie om wat onverzoenbaar is bijeen te houden, verloochent voortdurend officieel beleden beginselen zoals uit haar warrige houding tegenover Rwanda, de Golfcrisis of de Silco-affaire bleek. Ze lééft nergens voor, ze is er alleen maar. Er gaat geen enkele collectieve zingeving van uit. Daardoor wekt ze even weinig tegenstand als ze voorstanders heeft. Het publiek heeft zich gewoon afgewend, lusteloos, geamuseerd door al dat geritsel of geschimp.
De drukkingsgroepen voelen zich wèl opnieuw helemaal veilig. De demonen van weleer werden opgeborgen. Happart werd in een tactische wirwar van het politieke toneel afgevoerd. Een nieuwe ziekenfondswet, die alles wat vroeger verboden was nu legaliseert, werd goedgekeurd – ook door de VU voor wie zij nochtans een Waalse kaakslag had moeten zijn. Een onherkenbare, slonzige en in algemene onverschilligheid ontvangen staatshervorming werd, binnen het formatieberaad zelf, doorgevoerd met geen ander doel voor ogen dan de bestaande machtsposities vast te grendelen. En als kroon op het werk verklaarde de regering, om maar in het zadel te kunnen blijven, een dwarsliggend staatshoofd gedurende twee dagen in de onmogelijkheid tot regeren.
Zelfs over deze nooit voor mogelijk gehouden manipulatie van de grondwet toonde de coalitie geen spoor van schaamte of berouw.
De doorsneeburger bekijkt dit alles met lede ogen. Instinctmatig voelt hij aan dat het politieke bedrijf geen project meer heeft, improviseert en ongeveer elke waarde en waarheid besmeurt. In zovele vraaggesprekken en publieke optredens hebben de acteurs zelf, die iedereen nu ongestoord en zo denigrerend de politieke klasse is gaan noemen, de mond vol over de arglistigheden die nodig zijn om zich in het vak te handhaven. Trucage wordt een deugd. Bewindslieden vertellen met eigen woorden hoever ze te ver kunnen gaan of hoe ze pas iets eisen als de buit eigenlijk al binnen is. Ze prijzen zichzelf of een collega, omdat ze flair hebben of er spontaan uitzien of een uitstekende vergadertechniek tegen lastposten hebben. Er is niet veel politiek meer, alleen nog beelden van politiek.
Daar moet de bevolking het dan mee stellen, terwijl haar problemen dezelfde blijven: ouder worden, het gestoorde contact met de migranten, de school van de kinderen, de milieu-omgeving, het moeilijke verkeer, gebrek aan veiligheid en behaaglijkheid in de stad, de kwaliteit van gerechtelijke en politiediensten. Meer nog, de burger krijgt zowat iedere dag te horen dat veel van die moeilijkheden eigenlijk onoplosbaar geworden zijn, vanwege de staatshervorming zoals die werd doorgevoerd.
België wordt systematisch veroordeeld door de Europese instellingen wegens het niet naleven van talrijke ecologische richtlijnen. De bevoegde staatssecretaris kan slechts antwoorden dat het de schuld van de slecht geconstrueerde nieuwe instellingen is.
Het land heeft tientallen ministers die op een of andere manier bevoegd zijn voor een aspect van het migrantenvraagstuk. Niemand houdt zich echter bezig met het uitvoeren van een samenhangende politiek ter zake. Dat zegt dan weer de Koninklijk Commissaris die dikke rapporten schrijft, waarmee verder niet veel wordt aangevangen.
De greep van de democratie, van de burger op de Staat en zijn verkozen regering, is nog nooit zo klein geweest als vandaag. De afstand tussen het volk en macht was nooit zo groot. Is het dan verbazend dat algemene apathie en misprijzen tegenover de politiek toenemen, hoezeer we die ook verbergen achter een anachronisme zoals de stemplicht? Valt het te verwonderen dat honderdduizenden mannen, vrouwen en jongeren hun toevlucht zoeken in politieke partijen die utopieën of zelfs antidemocratische denkbeelden voorspiegelen?
Het postulaat van de democratie is, dat de burger het altijd bij het rechte eind heeft, ook wanneer zijn keuze tot voor die democratie gevaarlijke conclusies komt. Maar een democratie gaat niet ten onder aan de keuze van haar burgers. Ze sterft pas af wanneer de politiek die burger geen echte keuzemogelijkheden meer biedt, wanneer de politiek hem met andere woorden niet meer ziet staan. Dat is het moment waarop de anti-democratie een kans maakt. Dat ogenblik is niet nabij, we beleven het nu.
Is er een uitweg? Net zoals we in de economie, de wetenschap, de cultuur en de moreel een stille maar diepe revolutie hebben meegemaakt, moet de politiek grondig door elkaar worden geschud. Net zoals de hedendaagse mens greep kreeg op en nieuwe inzichten verwierf in tal van aspecten van zijn leven en denken, moet door essentiële hervormingen het politieke bedrijf in de greep van de burger worden gebracht.
Gewoon blijven verwijzen naar de democratie, zoals ze nu eenmaal is, en met Winston Churchill blijven herhalen dat ze het slechte systeem is, met uitzondering van alle andere, kan niet langer volstaan. De democratie moet niet worden overboord gegooid, maar wel herdacht. Haar grenzen moeten worden verlegd, zoals dat gebeurde voor het leven buiten de politiek.











